Home‎ > ‎Publications‎ > ‎

Toon Brouwers, Van declameren naar spelen: Theateropleiding te Antwerpen van Conservatorium en Studio tot het Herman Teirlinck Instituut (2003)

SOURCE:

Toon Brouwers. Van declameren naar spelen: Theateropleiding te Antwerpen van Conservatorium en Studio tot het Herman Teirlinck Instituut. Antwerpen: Hogeschool Antwerpen, Departement dramatische kunst, muziek & dans, 2003.

Universiteit Antwerpen, Theateren Filmwetenschap, 2010

Belgium is Happening

Theateropleiding te Antwerpen

Van Conservatorium en Studio tot het Herman Teirlinck Instituut

Toon Brouwers

1

Departement dramatische kunst, muziek & dans, 2003

2

Woord Vooraf

Mijn vader Jan Brouwers (1912-2002) volgde de leergang “voordrachtkunst” aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, waar hij in 1936 zijn diploma behaalde. Hij trad op als recitant, kwam onder Joris Diels als foneticus in het beroepstheater terecht, werkte in diverse functies en hoedanigheden bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, de Koninklijke Vlaamse Opera, en het Koninklijk Jeugdtheater. Hij was leraar voordracht en dictie aan de Muziekacademie te Deurne en aan het Stedelijk Conservatorium te Mechelen. In de Studio gaf hij van ca. 1948 af orthofonie en “spreekgymnastiek”, tot het begin van de jaren ’70. Herhaaldelijk was hij jurylid voor de examens van de voordrachtafdeling van het Antwerpse Conservatorium. Het wel en wee van het theaterleven én van de theateropleidingen te Antwerpen kreeg ik van mijn geboorte af als het ware samen met de pap ingelepeld.

Mijn vaders leraars aan het Conservatorium (Lauwerijs, Sabbe e.a.) hadden de 19de-eeuwse pioniers van het toneel en van de theateropleiding nog persoonlijk gekend. Zelf heeft hij in de Studio actief deel genomen aan de vorming van enkele generaties acteurs. Ikzelf heb mijn theateropleiding aan het Antwerpse Conservatorium gekregen, was er een paar jaar voordrachthouder, en behoor nu een goed decennium tot het docentenkorps van de Studio en het Herman Teirlinck Instituut. Alles samen: een directe informatie over een traditie van méér dan 130 jaar.

Omdat ik moeilijk over de periode kon schrijven waarin ik directeur van de Studio was, heb ik Jacques Peeters gevraagd om de betreffende pagina’s te redigeren. Hij volgt het theaterleven te Antwerpen reeds tientallen jaren. Tijdens de jaren ’90 was hij bovendien kabinetsmedewerker van de Vlaamse minister van onderwijs Luc Van den Bossche, en vandaag is hij algemeen directeur van de Hogeschool Antwerpen. Ik ben hem voor zijn gewaardeerde hulp zeer erkentelijk.

Het opzoekingswerk concentreerde zich voornamelijk in de archieven van het Koninklijk Vlaams Conservatorium, het Herman Teirlinck Instituut, en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven of Letterenhuis. Al wie me behulpzaam is geweest wil ik van harte danken, in het bijzonder collega Jaak van Schoor (Universiteit Gent) voor zijn waardevol advies.

Graag wil ik deze publicatie opdragen aan alle vroegere en huidige beleidsmensen en medewerkers, afgestudeerden en studenten van de Antwerpse theateropleidingen. Maar in het bijzonder aan mijn vader Jan Brouwers die in augustus 2002 overleed, enkele weken vóór zijn negentigste verjaardag.

Toon Brouwers

3

Herman Teirlinck

4

Van declameren naar spelen

De Kunst van het Uitgalmen

Tijdens de langdurige regering van de zonnekoning Louis XIV in de 18de eeuw, had de Franse cultuur een grote internationale uitstraling gekregen. Niet enkel de Franse bouwen schilderkunst, maar ook de Franse mode, zeden en gewoonten, werden overal in Europa nagevolgd. Het Frans was in Europa de internationale diplomatieke taal. En ook na de Franse revolutie werd de Europese cultuur in de daaropvolgende 19de eeuw nog in belangrijke mate beïnvloed door de Franse. In het Europese theater van de 18de en 19de eeuw deed zich dezelfde invloed gelden. Bij het klassieke of “ernstige” Franse theater was de correcte declamatie van de tekst prioritair, en het spel beperkte zich tot het gebruik van een aantal geijkte houdingen en gebaren. In het Koninkrijk der Nederlanden en het latere Belgiëstonddezedeclamatiekunstinde19deeeuweveneensinhoogaanzien.1 Zewerder“welsprekendheid” genoemd, of de “kunst van het uitgalmen”. Deze laatste uitdrukking was helemaal niet pejoratief bedoeld: ze was enkel een iets te letterlijke vertaling van de Franse term “déclamation”. En deze kunst werd beslist niet alleen door acteurs bedreven: ook politici en predikanten deden hun uiterste best om zich in deze discipline te bekwamen.

Reeds in de 19de eeuw waren de vandaag “Koninklijke” Conservatoria van Gent, Brussel en Antwerpen begonnen met declamatieof voordrachtleergangen, naar het voorbeeld van het Parijse “Conservatoire” waar aan aspirant-acteurs “l’art de la déclamation et du geste” werd onderwezen. Het was onder Koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, dat er te Brussel in 1826 een Koninklijke Muziekschool werd opgericht, die voortbouwde op een reeds in 1813 gestichte “École de Chant”. Van 1829 af werd er tevens een leergang voordracht georganiseerd. Na de stichting van het Koninkrijk België, werd deze instelling in 1832 omgevormd tot “ConservatoireRoyal”.2 In1864werdEmmanuelHiel3 belastmethetgevenvanlesseninNederlandsevoordracht.4 Pasvan 1933 af werd er een Nederlandstalige klas dramatische kunst ingericht, met Herman Teirlinck als titularis. Maar dan zijn we reeds een eeuw verder. Te Gent werd er in 1835 een Stedelijke Muziekschool opgericht, met Jan Frans Willems5 alssecretaris.NaeenverzoekschriftvaneenaantalVlaamseletterkundigen,werdin1860indezeschool eveneens een cursus Vlaamse uitspraak en uitgalming ingericht. Hij werd toevertrouwd aan de toneelauteur Karel Ondereet, die de cursus “Nederlandse declamatie” tot aan zijn dood in 1868 zou blijven geven. Op 28 december 1871 kreeg de muziekschool de titel van “Conservatoire Royal”, maar deze instelling werd pas vanaf januari 1879

effectief door de staat beheerd. De klas “Nederlandse declamatie” bleef behouden.

5

Peter Benoit: het begin

Te Antwerpen stichtte de componist en dirigent Peter Benoit in 1867 een Vlaamse Muziekschool. Zijn oogmerk was niet om op technisch gebied gedresseerde virtuozen te kweken maar wel om zelfbewuste, denkende kunstenaars, met een brede algemeen-culturele basis te vormen. Benoit was een tegenstander van competitie, van “wedstrijden” in het kunstonderwijs. Hij verleende weinig of geen graden of onderscheidingen en liet de studenten toe zich voor te stellen voor een eindproef, wanneer zij - na een gunstig advies van de leraars - dachten hiervoor klaar te zijn.6

In deze Vlaamse Muziekschool was ook een leergang “declamatie en tooneelspel” voorzien, die Benoit toevertrouwde aan Jan Van Beers: een Antwerpse dichter uit de overgangsperiode van romantiek naar realisme. Van Beers was een voormalig leraar aan de Rijksnormaalschool te Lier, die in 1860 leraar Nederlands was geworden aan het Atheneum te Antwerpen. Hij was geen acteur, maar stond wel bekend om zijn talenten als “declamator”. Als leraar Nederlands was hij allicht in staat om “schoon Vlaams” te spreken, wat in die tijd (het onderwijs in Vlaanderen verliep in de 19de eeuw nog uitsluitend in het Frans!) op zichzelf al een verdienste was. Van Beers was ook actief in de vrijzinnige vleugel van de Vlaamse beweging en was een aantal jaren liberaal gemeenteraadslid van de stad Antwerpen. Hij schreef essays, gedichten en poëtische teksten voor oratoria en cantaten, zoals voor “De Oorlog” (1873) van Peter Benoit. Ongetwijfeld konden zijn leerlingen heel wat opsteken van zijn brede eruditie. Van Beers heeft een groot aantal gerenommeerde toneelspelers helpen vormen van het gezelschap van de “Nederlandsche Schouwburg” te Antwerpen: het gezelschap dat in 1853 onder impulsvanVictorDriessensals“NationaelTooneel”wasgesticht,enlaterviade“Koninklijke Nederlandse Schouwburg” tot “Het

Toneelhuis”zouevolueren.Zokregen

onder meer bij hem de gezusters Elisa en Philomena Jonkers hun opleiding (die ook te Brussel en in Nederland bij “Het Tooneel”, de groep van Willem Royaards, successen vierden) en Jan Dilis, die in zijn tijd als een uitmuntend Shakespeare-vertolker werd beschouwd 7 . De opleiding bleef echter beperkt tot een “declamatieklas”, en regelmatig werd er kritiek geleverd op de ontoereikendheid van de toneelopleiding. Zoals door de criticus Edward van Bergen die een bijzonder lage dunk over de toenmalige beroepsacteurs had. Hij mat in 1884 de kwaliteit van de toneelspelers zelfs aan de graad waarin ze zich van de “noodlottige invloed van de declamatieklas”

hadden ontdaan...8

6

Na een lange en soms verbeten strijd (niet in het minst ter wille van het “Vlaamse” karakter van het opzet) werd Benoits muziekschool in 1898 tot “Koninklijk Vlaams Conservatorium” (KVCA) verheven, en bleef gevestigd in de lokalen van de Sint Jakobsmarkt nr. 11 te Antwerpen. Niet alleen voor de muziekafdeling, maar ook voor de toneelopleiding werkte Peter Benoit een uitgebreid en interessant programma uit. Hij splitste de dramatische afdeling in drie takken: gesproken toneel, gezongen toneel en lyrisch gesproken toneel. Dit laatste genre was een door Benoit zelf graag beoefende kunstvorm (cfr. zijn “Charlotte Corday”) met elementen van het 19de-eeuwse melodrama, en het Wagneriaanse muziekdrama. Het was een typisch product van de romantiek en laatromantiek, dat intussen al lang van onze planken is verdwenen. Voor de onderafdeling “gesproken toneel” voorzag hij een degelijke opleiding met een aantal algemeen vormende vakken (zoals toneelgeschiedenis, tekstanalyse etc.), een degelijke stemvorming, leergangen in houding en beweging, en tenslotte mimiek en samenspel. Een interessant programma dat wel een voorafspiegeling lijkt van datgene waarmee Herman Teirlinck de Studio in 1946 opstartte, bijna 50 jaar later!

Wellicht liet Benoit, die voor dit programmaonderdeel werd bijgestaan door de leraar letterkunde Arthur Cornette sr.9 , zich gedeeltelijk beïnvloeden door de toneelopleiding van de Amsterdamse Toneelschool, die in 1874 werd gesticht met een voor die tijdergvooruitstrevendleerprogramma.DezeToneelschoolwasergekomennalange jaren van discussies en palavers op de Vlaams-Nederlandse Letterkundige Congressen. De congressen van 1867 en 1869 hadden de armzalige toestand van het theater in Vlaanderen aangeklaagd, gepleit voor een professionele toneelschool, en het beoefenen van de toneelspeelkunst als “dagbezigheid”. Aanvankelijk was het de bedoeling om van De Toneelschool een Nederlands-Vlaams initiatief te maken, waarbij getalenteerde Vlaamse jongeren met een studiebeurs de opleiding te Amsterdam zouden kunnen volgen. Het bleef evenwel bij goede intenties. De eerste jaren van zijn bestaan stond De Toneelschool

(een initiatief van de privé-vereniging “Nederlands Toneelverbond”10 ) open voor leerlingen van 15 jaar af, en werd er ook algemeen onderwijs gegeven (hoger middelbaar onderwijs). Pas van ca 1900 af, gaf deze school uitsluitend een vakopleiding.

Wegens onvoldoende financiële middelen kon Peter Benoit zijn vooruitstrevende en ambitieuze plannen in het Koninklijk Vlaams Conservatorium echter niet realiseren en bleef het bij een cursus voordrachtkunst, die gegeven werd door Jos Van den Branden: stadsarchivaris, kunsthistoricus, en toneelauteur. Deze was een leerling van Jan Van Beers, en blijkbaar een graag geziene amateurtoneelspeler die geprezen werd om zijn mooie uitspraak. Van den Branden werd in 1865 hulpleraar aan Benoits Muziekschool, en van 1876 tot 1906 was hij leraarNederlandse voordrachtaandezeschoolenhaaropvolgerhet Koninklijk Vlaams Conservatorium. Over de pedagogische aanpak van

7

dezeleraarisweinigbekend11 maaralleszinsbleefdeopleidinginhoofdzaakeendeclamatiecursus.Deactrices Philomène en Elisa Jonkers, en de acteurs Jan en Gustaaf Cauwenberg (welke laatste onder meer ook in Nederland bij Royaards actief was en in 1920-21 een jaar directeur was van de KNS), Willem en Piet Janssens, Karel Van Rijn, zijn enkele van zijn bekenste leerlingen. Anders dan te Amsterdam, waar De Toneelschool een naar Duitse modellen uitgebreid en vrij volledig leerplan aanbood, bleef het toneelonderricht in Vlaanderen tot na de tweede wereldoorlog (1940-45) haast uitsluitend een zaak van avondof weekendonderwijs. Pogingen om de theateropleiding te reorganiseren en te professionaliseren werden zowel te Gent (onder meer de Toneelschool12 van dr. Jan-Oscar de Gruyter, 1911) als te Antwerpen (onder meer het Hoger Instituut voor Toneel en Regie van Joris Diels, 1939, zie verder) ondernomen. Hoewel er geen onverdienstelijk werk werd gepresteerd, konden deze initiatieven zich uiteindlijkom diverse en uiteenlopende redenen niet handhaven.

Maurits Sabbe: hervormingen

In 1907 werd de academicus en letterkundige dr. Maurits Sabbe titularis van de toneelopleiding. Hij was een zoon van de Vlaamse schrijver Julius Sabbe (1846-1912) die een begaafd redenaar was en die ook een belangrijke rol heeft gespeeld in de liberale Vlaamse beweging. Deze Julius Sabbe was onder meer bevriend met Peter Benoit, voor wie hij de tekst van verscheidene cantates heeft geschreven. Maurits Sabbe werd in 1919 ook nog conservator van het Museum Plantin-Moretus te Antwerpen, en in 1923 professor in de Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit te Brussel. Als auteur schreef hij een aantal novellen, romans en toneelstukken (onder meer een succesvolle toneelversie van zijn roman “Bietje”). Geleidelijk aan werd er onder zijn impuls een

grondige hervorming doorgevoerd in de toneelopleiding, die dank zij hem een weldoordachte structuur kreeg. De nieuwe cursussen toneelgeschiedenis en fonetica nam Sabbe zelf voor zijn rekening. In 1917 splitste hij de praktijklessen in enerzijds een leergang toneelspel, en anderzijds een leergang declamatie. Voor de praktijklessen toneel haalde hij twee gerenommeerde artiesten uit het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg naar het Conservatorium: de actrice Mina Dilis-Beersmans, en de acteur en KNS-directeur Louis Bertrijn. In oktober 1917 werd de hervormde en sterk uitgebreide toneelopleiding plechtig geopend, met academische toespraken van Maurits Sabbe en de waarnemende Conservatoriumdirecteur Nicolaas Cuperus.

Niet alleen was het lessenpakket uitgebreid, ook inhoudelijk was er met door komst van Sabbe een en ander veranderd. Zo was er een opvallende aanwezigheid van toenmalige “eigentijdse” toneelauteurs op de examenprogramma’s, met onder meer Oscar Wilde (1911), Herman Heijermans (1914), G. Bernard Shaw (1937), en Arthur Schnitzler (1937). De leergang “declamatie” werd voorbehouden aan de voordrachtkunstenaar Modest Lauwerijs die pas na de oorlog in 1919 zijn taak kon opnemen. Lauwerijs wilde de persoonlijkheid van elke student respecteren, en bij hen de eerst de liefde voor de literatuur wakker te roepen. De kunst van het zeggen en het interpreteren

dienden de studenten zo te richten, dat ze er hun eigen persoonlijkheid erin konden bewaren en projecteren. 8

Eerst de schoonheid ontdekken, en ze dan verklanken op een zeer persoonlijke, natuurlijke manier.13 Toch steunde Lauwerijs nog grotendeels op de 19de-

eeuwse traditie van het declameren waarbij de declamator strikt gebonden was aan een aantal geijkte houdingen en gebaren. Wanneer Luc Philips naar eigen zeggen in 1938 zijn examen declamatie gezeten op een stoel wilde brengen en alzo zijn tekst aan het publiek wou “vertellen”, stuitte hij op onbegrip. Wie wilde declameren, diende immers een “schone houding” aan te nemen: rechtervoet lichtjes voor de linker geplaatst, hoofd omhoog en borst vooruit. In de jaren ‘30 trachtten de jongeren van die tijd echter naar andere expressievormen te streven. Zij konden hun artistiek ei enkel kwijt in dynamische en expressionistische spreekkoren zoals “111” en “Wending” (waarover verder méér).

Maurits Sabbe bleef zowat dertig jaar lang coördinator en bezieler van de opleiding, en zorgde ook voor de nodige continuïteit.

Voor de spellessen werd Mina Dilis Beersmans in 1929 opgevolgd door Dolly de Gruyter, weduwe van dr. Jan-Oscar de Gruyter) en in 1934 nam de acteur-regisseur Charles Gilhuys (1881-1955) de taak van Louis Bertrijn over. Gilhuys was een der meest prominente regisseurs van het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, en een uitmuntend Shakespearevertolker. De nauwe banden met het gezelschap van de KNS bleven dus bestaan en de afstuderende toneelstudenten vonden vlot hun weg naar het “grote” KNS-gezelschap. Tientallen acteurs en voordrachtkunstenaars werden onder leiding van Maurits Sabbe gevormd, waarvan de meeste een boeiende carrière maakten in Vlaanderen én/of in Nederland. Vele namen leven ook nog de dag van vandaag in de herinnering voort: Jan Cammans (KNS-acteur en -directeur),

Jenny van Santvoort (KNS-actrice en KVCA-lerares), Ida Wasserman (KNS en Haagse Comedie-actrice), Gaston Vandermeulen (KNS-acteur en -regisseur), Isa Adriaens (beter bekend als Corry Lievens: actrice, regisseur en Jeugdtheater-directrice), Luc Philips (KNS- en televisieacteur, regisseur en leraar KVC), Jet Naessens (KNS-actrice en KVC-lerares)...

Oud-studenten15 van Sabbe beschreven zijn lessen niet enkel als van een hoog gehalte en wetenschappelijk onderbouwd, maar ook als uiterst boeiend. De toneelen voordrachtstudenten hadden in dit Sabbe-tijdperk ook een intens contact met elkaar, en ontwikkelen buiten hun studies ook gemeenschappelijke initiatieven. Zo was er vóór de tweede wereldoorlog te Antwerpen16 de hogervermelde groep “111” actief onder leiding van regisseur Lon Landau, die van 1935 tot 1940 ook scenograaf van de KNS was. Aan deze groep werkten onder meer Jan Brouwers, Wieske Colpijn, Martha De Wachter, Jet Naessens en Cara van Wersch mee. Ook musici maakten er deel van uit, zoals Steven Candael, Alex de Vries, en Denise Tolkowsky, evenals de danseres Valentina Belova die verbonden was aan de Vlaamse Opera. De groep “111” beoefende in de jaren ‘30 met veel idealisme en weinig middelen (er is niets nieuws onder de zon...) het genre van het “spreekkoor”. Blijkbaar een vorm van “multidis-

9

ciplinair theater” waarbij poëzie en proza werd geënsceneerd en er een gebruik werd gemaakt van aangepaste muziek en beweging. Er werd gerepeteerd op een zolderkamer boven een kolenhandelaar in een steegje aan de kroonstraat te Borgerhout17. Op het programma stond onder meer “Un boeuf sur le toit” van Cocteau, en “ De Ballade van Heer Halewijn”. Verder was er ook een groep “ Wending “ die meer communistisch gezind was, en die onder leiding stond van Lode Rigouts, later nog secretaris van de Studio.

Nationale Hervorming: een stap terug

In 1934 werden alle Koninklijke Conservatoria in België geherstructureerd. Enkele maatregelen waren positief, maar over het algemeen betekende de herstructurering een ondergraving van de vooruitstrevende pedagogische uitgangspunten van Peter Benoit. Het door Benoit in 1898 bewust ingestelde “diploma-examen” (waarbij niet uitsluitend naar een competitie-virtuositeit maar liever naar de algemene waarde als kunstenaar werd gekeken) verdween, en werd vervangen door het Benoit zo verfoeide wedstrijdsysteem met zogenaamde eerste en tweede prijzen, naar het voorbeeld van het Parijse “Conservatoire”. Dit betekende dat het progressieve onderwijssysteem van Benoit werd vervangen door het erg behoudsgezinde Franse voorbeeld.18

ToenMauritsSabbeop12februari1938overleed,verloordetheateropleidinghaarbezielerendeverslagenheid was groot. De volgende jaren werden er enkele lichte wijzigingen aangebracht, zowel aan het leerprogramma als aanhetdocentencorps.Toneelgeschiedeniswerdvanafhetacademiejaar1938-39gegeven door Lode Monteyne, en fonetica door dr. Rudolf Roels. Maar de hoofdlijnen die Sabbe had

uitgetekend, werden nog gedurende decennia verder gevolgd.

Lode Monteyne deed in 1938 nog een stevig gedocumenteerde oproep tot hervorming en professionalisering van de theateropleiding in Vlaanderen19 , en pleitte voor de oprichting van één “Hoger Instituut voor Toneelkunst”, maar in de Conservatoriumopleidingen bleven de oude structuren gehandhaafd20. In het Antwerpse Conservatorium werden de spellessen verder gegeven door Dolly De Gruyter en Charles Gilhuys. Volgens bevoorrechte getuigen21 washetvoornamelijkdezelaatstediedekarvandeopleidingtrok.Charles Gilhuys was een uit Nederland afkomstige acteur en regisseur die door zijn studenten werd gerespecteerd als een erudiet, en fijnzinnige man. Als acteur en vooral als regisseur (o.m. als bevoorrechte regisseur van Jan Oscar de Gruyter, de legendarische stichter van het “Vlaamsche Volkstooneel” en directeur van de Antwerpse KNS 1922-29) genoot hij een grote faam. Een grondige tekstanalyse maakte een essentieel onderdeel uit van zijn lessen. Vele van zijn oud-studenten scheerden later in het Vlaamse theater de hoogste toppen, zo onder meer Fred Engelen (KNS-regisseur en Studio-leider), Frans Roggen (acteur, regisseur

en leraar Kon. Conservatorium Gent), Stella Blanchart (KNS-actrice), Kris Betz (KVS-regisseur), Dom. de Gruyter (KNS-directeur en KVCA-leraar), Joost Noydens (acteur en KJT-directeur) en vele anderen...

10

Joris Diels: Hoger Instituut voor Toneel en Regie

Wanneer Charles Gilhuys even vóór de tweede wereldoorlog uit het KNS-gezelschap verdween, werd de relatie met het KNS-gezelschap onder leiding van Joris Diels wat stroever. Joris Diels (KNS-directeur vanaf 1935) was in 1938 kandidaat voor een nieuwe ambtstermijn. Tegen de zin van burgemeester Camille Huysmans in, gaf de Antwerpse gemeenteraad de voorkeur aan het duo Cammans-Gilhuys: twee leden van het gezelschap die zich opstelden tegen Diels. Deze laatste trok als “Gezelschap Joris Diels” met een deel van het KNS-gezelschap naar de nabijgelegen Cercle Artistique of het Kunstverbond (heden de Arenbergschouwburg), gevolgd door het grootste deel van het publiek én door burgemeester Huysmans, die ostentatief Diels bleef steunen en naar diens premières kwam. In 1939 vroeg de stad Antwerpen aan Diels om opnieuw de directie op zich te nemen van de noodlijdende KNS. Diels aanvaardde, maar nam begrijpelijkerwijze Cammans en Gilhuys niet in het herenigde gezelschap op.

Op initiatief van Joris Diels ging in het najaar van 1939 “Hoger Instituut voor Toneel en Regie” van start, een initiatief dat hij reeds in 1935 op beperkte schaal had ingericht. In 1939-40 gaf het HITR enkel een aanvullende regieopleiding, maar van het najaar 1940 af werd het omgebouwd tot een “volledige school voor dramatische kunst”. De administratieve leiding van het HITR berustte bij Odile Daem.22 Diels was van mening dat een acteur, benevens een spelopleiding, ook een brede culturele scholing moest hebben. Daarom stonden op het leerplan onder meer ook toneelgeschiedenis en literaire ontleding, kostuumleer, decorbouw en grime, inleiding in de plastische en muzikale kunsten. De lessen werden ’s avonds en in het weekend gegeven door “de beste krachten” van de KNS, onder meer door Remy Angenot, Jan Brouwers, Jos Gevers, Georgette Hagedoorn, en Ben Royaards, en door specialisten als Lode Monteyne, Odiel Daem, Jan Albert Goris en Juliaan Platteau. Onder de studenten van het HITR vinden we onder meer: Tine Balder, Jan Brugmans, Tone Brulin, Yvonne Douliez (Ivonne Lex), Cary Fontijn, Maurits Goossens, Lode Rigouts, Karel Simons en Roger Thoelen. Het HITR was nog geen full time dagschool zoals de latere Studio van Herman Teirlinck, maar is toch reeds een voorafspiegeling van dit initiatief.

Het HITR aanvaarde studenten van 17 jaar af, en ging dus een concurrentie aan met de toneelopleiding van hetKoninklijkVlaamsConservatoriumteAntwerpen,waarCharlesGilhuysdetitulariswasvandetoneelklas.Toch was de rivaliteit tussen KNS-directeur Joris Diels Conservatorium-leraar Charles Gilhuys beslist geen gewapende strijd. Tijdens de oorlogsjaren was er aan het Conservatorium een heus gezelschap actief, onder de benaming van “Conservatorium-Tooneel / Nieuw Volkstooneel”. Het stond onder de artistieke leiding van Gilhuys, terwijl de organisatorische leiding bij Jef De Potter berustte. Het gezelschap bestond uit leerlingen en oud-leerlingen van de dramatische afdeling van het Conservatorium, en er werden benevens zeven theaterproducties ook een aantal “kunstavonden” ingericht. Vermits Diels zijn medewerking verleende aan dit Conservatorium-Tooneel als spreker23 was de rivaliteit tussen hem en Gilhuys zeker niet absoluut. Het HITR verdween bij de bevrijding in 1944, samen met Joris Diels die voorzichtigheidhalve was ondergedoken en die eerst bij verstek werd veroordeeld op beschuldiging van collaboratie, maar in 1948 door de Krijgsraad werd vrijgesproken.24 Hij werd vervangen door de voormalige secretariaatsmedewerker van de KNS en journalist Victor de Ruyter, die reeds na drie jaren met stille

11

De eerste binnenkoer van het“Oud Conservatorium” aan de Sint Jacobsmarkt (foto: A.De Belder)

12

trom verdween, en die nadien te Brussel vele jaren de Koninklijke Vlaamse Schouwburg zou leiden.

De man die echter het theaterleven in Vlaanderen grondig zou veranderen en herstructureren, was Herman Teirlinck.

1 Odile Daem (1901-1956), leider van REX-Vlaanderen, schepen voor schone kunsten van de gemeente

Herman Teirlinck: professionalisering

De Vlaamse romancier en toneelauteur Herman Teirlinck25 die reeds van ca 1928 met de idee van een Nationaal Toneel rondliep, had in 1927-28 in het Hoger Instituut voor Sierkunsten van “Ter Kameren” (te Elsene- Brussel) een atelier opgestart voor de “Theorie en Praktijk van het Theater”. Hij voorzag een volledig dagonderwijs (alle dagen behalve zondag) en stelde de minimumleeftijd op 17 jaar. Hij experimenteerde hier graag met decor en kostuums, met maskers en licht, waarbij hij de traditionele begrenzing van het theateronderricht, met name de cultivering van het mooie woord en het esthetische gebaar, resoluut verliet. In 1933 werd Teirlinck leraar aan het (toen nog hoofdzakelijk Franstalige) Conservatorium te Brussel, voor het vak toneelspeelkunst of “art dramatique flamand”.26 Maarinhetmilieuvanhettraditionele(indietijdzelfsronduitconservatieve)muziekonderwijskon hij zijn ideeën over het theater en het theateronderwijs niet realiseren. Vermits

hij in 1945 als regeringsadviseur27 nauw betrokken was bij de oprichting van het “Nationaal Toneel van België - Théâtre National de Belgique”,28had hij in de tekst van het bewuste regentsbesluit over het Nationaal Toneel ook een artikel over de organisatie van een acteursopleiding laten voorzien.

Inaugustus1946gingTeirlinckteAntwerpenvanstart29 meteen“Studiotheater” van het Nationaal Toneel. Aanvankelijk vond de Studio een onderkomen in een verlaten (bouwvallige) school aan de Oever te Antwerpen, nadien in lokalen in de Kolveniersstraat 16, een eveneens oud en niet zo ruim gebouw30 , dat overigens werd gedeeld met het Reizend Volkstheater (RVT) én met de Balletschool van de KoninklijkeVlaamseOpera(laterStedelijkInstituutvoorBallet).Teirlinckwassterk beïnvloed door de ideeën van onder meer de Engelse visionaire theaterman en scenograaf Gordon Craig, de Russische regisseur en pedagoog Constantin Stanislavski, en de Franse cultuurfilosoof Alain.31 Hij had zich ook laten inspireren door de theaterschool van de Franse regisseur en theaterhervormer Jacques Copeau. Beïnvloed door al deze zienswijzen, theorieën en denkbeelden schreef Teirlinck in de loop der

13

jaren een aantal hoogst interessante artikels en essays, die hij in 1959 bundelde onder de titel “Dramatisch Peripatetikon”.32 De in dit boek gehanteerde taal van Teirlinck komt intussen erg archaïsch over, en sommige stellingen zijn door de voortschrijdende evolutie in het theater achterhaald. Maar zijn fundamentele uitgangspunten: onder meer het prioritair stellen van het spel en de speler, het belang van de expressiviteit van het lichaam, de technische bekwaamheid en de dramatische verbeelding van de acteur, vormen nog steeds de basis van de huidige opleiding aan het Herman Teirlinck Instituut, de koepel waaronder de diverse Antwerpse theateropleidingen tenslotte zijn terechtgekomen.

Het Antwerpse theatermilieu reageerde aanvankelijk niet zo enthousiast op de plannen van Teirlinck, die tijdens het interbellum bekend stond als schrijver van expressionistische stukken. In 1946 was het expressionisme echter voorbijgestreefd, en voer het officiële theater (zoals de Koninklijke

Nederlandse Schouwburg-Nationaal Toneel) opnieuw in veilige realistische en classicistische wateren, terwijl er zich in de marge van dit “officiële theater” andere stromingen aankondigden, zoals het existentialisme en het absurdisme. Voor de Studio van het Nationaal Toneel stelde Teirlinck een weldoordacht leerplan op voor een volledige en professionele dagopleiding. Voor het onderricht en de trainingen baseerde hij zich op vier “culturen”: de cultuur van het lichaam, de cultuur van de stem, de algemene cultuur en de cultuur van het spel. Voor de cultuur van hetlichaamsteldehijdedanseres,choreografeendanspedagogeLeaDaan33 tot deken aan, die haar cursussen bewegingsleer onder meer baseerde op de leer van deHongaars-DuitsedanserendanspedagoogRudolfvonLaban.34 Decultuurvan de stem werd toegewezen aan de Gentse hoogleraar en specialist in de dialectkunde Willem Pée, die na enkele jaren voor de praktische training in de orthofonie werd bijgestaan door foneticus en voordrachtkunstenaar Jan Brouwers. De algemene cultuur en de cultuur van het spel nam Teirlinck zelf voor zijn rekening, waarbij hij voor de speltraining tevens een beroep deed op gasten. De eerste gastleraar voor “spel” was de KNS-regisseur Maurits Balfoort, die met de eerste lichting Studiostudenten het Middelnederlandse ‘abel spel’ van “Esmoreit”, en de klucht “Nu Noch” instudeerde. Na het slagen in een toelatingsproef werd men het eerste jaar “leerling”. Na een geslaagd eerste jaar werd men “gezel”. De Studiogezellen kregen, via de toelagen die aan het Nationaal Toneelwerdenverstrekt,eenmaandelijksewerkbeurs.35 DeStudiostudentenwerdenookregelmatigingezetbij producties van de KNS-Nationaal Toneel.

Spoedig zag Teirlinck in dat er voor de speltraining best een vaste acteur-regisseur werd ingeschakeld. Na enig speurwerk viel zijn oog op Fred Engelen, die tijdens de oorlogsjaren bijzonder actief was geweest als een jonge en veelbelovende acteur-regisseur bij het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, en die door JorisDielsin1942wasgevraagdomhet“JeugdtheatervandenKNS”36 teleiden.NadebevrijdinghadEngelen

14

- zoals vele Vlaamse kunstenaars - last gehad met de repressie en de epuratie (hoewel hij nooit een veroordeling had opgelopen) en was hij zijn baan bij het Antwerpse theatergezelschap kwijt geraakt. Teirlinck haalde hem in 1948 binnen in de Studio, en vond in hem een uiterst toegewijde, bekwame en bezielende medewerker. Toen kort daarop Engelen geleidelijk aan opnieuw

regieopdrachten kreeg in de KNS37 , was meteen de doorstroming van de jonge Studio-acteurs naar het moedergezelschap van de KNS-Nationaal Toneel opnieuw ten volle verzekerd. De Studio realiseerde ook zelf jaarlijks enkele toneelproducties, waarmee er een beperkt aantal reisvoorstellingen werden gegeveninhetVlaamseland.38 Dezevoorstellingen,diemeestalwerdengegeven voor leerlingen en studenten van het middelbaar en het hoger onderwijs, waren enerzijds bedoeld als speltraining voor de Studiostudenten, en waren anderzijds de basiselementen voor het rekruteren van een nieuw, jong publiek, en voor het bouwen aan een eigen theatercultuur. Benevens het klassieke en internationale repertoire, kreeg de Vlaams-Nederlandse dramaturgie hier een prominente plaats. Het oude repertoire (zoals “De Spaanse Brabander” of de “Abele Spelen”) werd in een vernieuwende vorm gepresenteerd, maar ook het toenmalige nieuwe repertoire (zoals bijvoorbeeld “Agamemnoon” van Hensen) kwam hier aan bod.39

AanvankelijkwashetdebedoelingvanTeirlinckomdezeStudioalseen“voortgezetteopleiding”teorganiseren, en de kandidaten te rekruteren onder de afgestudeerde toneelstudenten van de Koninklijke Conservatoria. De eerste jaren was dit ook zo: Dora van der Groen, Yolande Markey en Denise Zimmerman om er slechts enkele te noemen, behaalden eerst een “eerste prijs” aan het Conservatorium, vooraleer ze naar de Studio trokken.

Geleidelijk aan wijzigde de Studio echter zijn rekrutering, en werden er ook kandidaten zonder enige vooropleiding aangenomen, zodat de Studio (met zijn intensieve dagopleiding) rechtstreeks in concurrentie kwam met de (avond-) opleidingen van de drie Koninklijke Conservatoria. De eerste acteurslichtingen van de Studio die in het gezelschap van de KNS-NT werden ingeschakeld, zorgden overigens wel voor wat animositeit bij de oudere leden van het gezelschap. Vele boegbeelden van de KNS hadden nauwelijks een scholing gehad. Soms hadden ze hun scholing in de praktijk opgedaan bij een of ander amateur-gezelschap, of in de wereld van het variété. Uiteraard krijgt men in een theaterschool geen talent ingelepeld (en in deze zin waren de jongeren niet beter of slechter dan de oudere generatie), maar wel een degelijke lichamelijke, vocale en geestelijke scholing, en een doorgedreven speltraining in diverse genres. Het was wellicht de opvallende professionele veelzijdigheid van de jonge theatermakers, die bij de ouderen wat afgunst wekte. Ook bij het gezelschap van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel werden geleidelijk aan Studioacteurs geëngageerd. Studioafgestudeerden die zich niet konden of wilden inschakelen in bestaande gezelschappen (en de keuze was in die tijd echt niet zo groot) leefden zich uit bij diverse initiatieven zoals de

15

Studio Oud Studenten (SOS) of richtten eigen alternatieve groepen op, zoals Tone Brulin in 1953 het Nederlands Kamer Toneel40 (NKT), of Etienne Debel in 1954 het Vlaamse Schouwtoneel te Brussel.

Voor zijn lessen in de Studio, en zijn regiewerk in het theater, zorgde Engelen steeds voor een degelijke onderbouw van research en theoretische kennis. In het theatermilieu groeide de waardering voor zijn werk. Het prestige van Fred Engelen als pedagoog en regisseur was op het einde van de jaren ’50 zo groot geworden, dat velen in hem de geschikte kandidaat zagen om als directeur de KNS-NT (dat ook de Studio en het Reizend Volkstheater omvatte) te leiden. Sedert 1947 werd de KNS bestuurd door Firmin Mortier, een voormalig journalist en overigens een beminnelijk en erudiet man, met een behoorlijke kennis van de nationale en internationale theaterliteratuur (met het accent op literatuur). Maar hij wist te weinig af van de reële theaterpraktijk, en kon als directeur geen innoverende impulsen geven op het gebied van de enscenering en de speelstijl. Het Antwerpse stadsbestuur (dat bestuurlijk verantwoordelijk was voor de KNS-NT) maakte echter geen aanstalten om Firmin Mortier te vervangen. Toen Fred Engelen een aanbod kreeg om aan de universiteit van Stellenbosch in Zuid Afrika een departement drama op te starten ging hij graag op dit voorstel in, en trok hij in 1961 samen met zijn echtgenote (de getalenteerde KNS-actrice Tine Balder) en zijn kinderen naar het Zuidelijk halfrond. Op 13 juni 1961 kreeg hij in de lokalen van de Studio in de Kolveniersstraat een hartelijk afscheidsfeest. Het werd een uiting van waardering en vriendschap, in aanwezigheid van heel wat prominente theaterlui. Dank zij zijn kunstenaarsschap én zijn vakmanschap heeft Fred Engelen aan de Studio het dubbele uitzicht gegeven van “school” waar men de disciplines van het vak verwerft, en van “atelier” waar men “kinderlijk mag spelen met zijn fantasieën”.41 Fred Engelen kwam nog een paar keer een gastregie voeren bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, maar overleed onverwachts in 1967, tijdens een voordrachttournee in Duitsland.

1 Het werk van Teirlinck is o.m. gepubliceerd als: Verzameld Werk Herman Teirlinck. Brussel: Manteau,

Alfons Goris: consolidatie

De Studio bleef na het plotse vertrek van Engelen een beetje verweesd achter. Herman Teirlinck was inmiddels reeds 82, en hoewel hij nog regelmatig zijn “dramatisch peripatetikon” gaf aan de studenten, had hij niet meer de kracht om de dagelijkse leiding van zijn theaterschool opnieuw op zich te nemen. Die taak werd in 1961 toevertrouwd aan twee jonge Studiodiscipelen: Alfons Goris (leiding) en Walter Tillemans (adjunct). Goris was na zijn universitaire studies (licentiaat Germaanse talen) in 1958 als acteur afgestudeerd aan de Studio en had enkele jaren als acteur gewerkt, onder meer bij KVS-Brussel en KNS-Antwerpen. Walter Tillemans had een regieopleiding gevolgd aan de Studio, was in 1961 net gepromoveerd, en werd reeds geroemd als een beloftevolle regisseur. Vol enthousiasme namen ze als duo de taak van Engelen over. Toen Tillemans in 1964 “huisregisseur” werd bij de KNS, stond Alfons Goris er alleen voor (hoewel Tillemans nog vele jaren de voornaamste speldocent zou blijven).

16

Als jonge leider van de Studio had Goris het echt niet gemakkelijk. Zo werd het Nationaal Toneel in 1965 geherdefinieerd en in 1967 de facto opgeheven42waardoor de Studio zijn koepel én zijn financiering was kwijtgespeeld. Overigens bezat de Studio als opleidingsinstituut nog steeds geen enkel officieel statuut. Met de instemming van Teirlinck zocht Goris contact met de centrale overheid, zodat in 1966 - enkele maanden vóór het overlijden van Teirlinck - de Studio door het rijk werd overgenomen als een instelling voor hoger kunstonderwijs, met Goris als directeur. De officiële benaming van de school luidde “Hoger Instituut voor Dramatische Kunst” met als epitheton “Studio Herman Teirlinck”, dat meteen de roepnaam bleef van het instituut. Eveneens in overleg met Herman Teirlinck had Alfons Goris in 1966 een nieuw leerplan opgesteld43, waarbij hij wilde structureren wat voordien op een enigszins geïmproviseerde tot chaotische wijze was ingericht, en wat hoofdzakelijk dank zij het persoonlijke prestige en dynamisme van de leermeesters (in casu Teirlinck, Engelen, Daan en Pée) had gefunctioneerd. Een officiële rijksschool dient nu eenmaal een officieel studieprogramma te hebben.

In de jaren zestig waren er onder de vlag van het Internationaal Theater Instituut (ITI) een aantal internationale ontmoetingen georganiseerd over de acteursopleiding. Na een eerste te Brussel (1963) volgden er ontmoetingen te Boekarest (1964), Essen (1965), Venetië (1966) en Stockholm (1967). Dank zij dit internationale forum werden er vele contacten gelegd tussen diverse theaterscholen, met uitwisseling van ervaringen en methodes. Voor Alfons Goris betekende de deelneming aan deze bijeenkomsten een belangrijke opening naar de nog levende Stanislavski-methode in Centraalen Oost-Europa, en naar de improvisatietechnieken van Jacques Copeau, Charles Dullin, e.a.44 Het vernieuwde leerplan dat hij in 1966 in samenwerking met Herman Teirlinck formuleerde in de brochure “Over de Opleiding van de Tonelist” werd in de loop der jaren wel hier en daar wat aangepast en bijgeschaafd, maar kon gedurende zowat 25 jaar zijn degelijkheid blijvend bewijzen. De opdeling van de opleiding inde“vierculturen”vanTeirlinck(geest,lichaam,stem,spel)bleefbehouden,maarinhoudelijkenstructureelwerd het programma zorgvuldig opgebouwd en ingevuld. Een bijzondere aandacht kreeg ook het onderdeel “geest” of “algemene cultuur”, waarvoor in de loop van de jaren eminente academici zoals Guy Voets, Julien Van Diest, Michel Oukhow, Carlos Tindemans en Jaak van Schoor werden aangetrokken.

Op aandringen van minister van cultuur Frans van Mechelen was in 1968 de wens geformuleerd voor de oprichting van een kleinkunstacademie. Het betere chanson, het “luisterlied” en het cabaret maakten in de jaren zestig een geweldige opgang, en er was blijkbaar nood aan een degelijke opleiding. Dank zij de goede zorgen van kabinetschef Johan Fleerackers kwam er in 1969 een afdeling “Kleinkunst” bij de Studio, waarvan Rik Gyles de eerste bezieler was, en waar nadien het kruim van de toenmalige Vlaamse kleinkunstwereld voor een degelijke opleiding zou instaan (onder meer Jef Burm, Will Ferdy, Denise De Weerdt, Marina Candael, Wannes Van de Velde, Johan Verminnen, en vele anderen). Na een beloftevolle start, zakte het peil van de opleiding wat naar beneden, zeker na het vertrek van Rik Gyles naar de Academie voor Kleinkunst te Amsterdam. Intussen was het “luisterlied” een beetje uit de mode én uit de belangstelling geraakt, en daarom zocht Alfons Goris een verruiming voor deze optie naar cabaret, musical, en chanson. Het aandeel van Marina Candael in de uitbouw en verdere instandhouding van deze optie, is niet gering. Als voormalige balletdanseres en choreografe werd ze als docente van het prille begin af aan de opleiding kleinkunst betrokken. Ze gaf niet alleen bewegingsadvies of verzorgde de choreografie voor heel wat producties, maar was als van 1975 tot 1988 als “werkleider” (zeg maar duivel-doet-al) ook verantwoordelijk voor de realisatie van de werkvoorstellingen van het instituut. Ondanks de vele vraagtekens die regelmatig achter de “kleinkunst” werden geplaatst, bleef deze optie tot op de dag van

17

Programmabrochure van “Coriolanus ( naar Shakespeare), opgevoerd ter gelegenheid van de Herman Teirlinckhulde, 10 mei 1967

“Ah, Sweet Mystery of Life” (collectieve creatie olv François Beukelaers), SHT 1985-86. Met Veerle Eyckermans en Guy Van Sande

De Duivel en God (Sartre) SHT 1969-70 groepsbeeld met publiek

“Lysistrata” (Aristofanes) SHT 1970-71 met Paul Wuyts en Lutgarde Pairon

18

vandaag (met wisselend succes) gehandhaafd.

In 1972 werd de studieduur van drie op vier jaren gebracht. Meteen gaf Goris aan de opleiding een academische structuur. Tijdens de eerste twee jaren werd er een basisopleiding en -training gegeven, tijdens de twee laatste jaren werd er vooral aandacht besteed aan het maken en spelen van voorstellingen, en kwamen de theaterstudenten in een soort van proefgezelschap terecht. In 1970 was de Studio ook verhuisd naar een groter gebouw in de Maarschalk Gérardstraat 4 te Antwerpen: een voormalig hotel, later bankinstelling, niet ver van de voornaamste Antwerpse theaters en van het bruisende stadscentrum. In de voormalige lokettenzaal richtte de Studio een eigen oefenzaal in, die op 05 maart 1970 met een indrukwekkende voorstelling van Sartre’s “De Duivel en God” in een regie van Alfons Goris werd ingespeeld.

Diverse spelleiders hebben in de loop van deze decennia mede het gezicht van de Studio bepaald. In de werkvoorstellingen van het proeftheater zorgde onder meer Walter Tillemans voor opmerkelijke producties. Het begeleiden van de studenten op buitenlandse studiereizen, werkte meer dan eens inspirerend. Zo was het bijwonen van een Coriolanus-voorstelling (Shakespeare/Brecht) in het Berliner Ensemble in december 1966 de aanleiding om met de Studiostudenten een eigen Coriolanus-productie op het getouw te zetten (mei 1967). Waarop de KNS-directeur Bert Van Kerkhoven besliste deze productie als opening van het nieuwe seizoen 1967-68 te programmeren, met dezelfde jonge Studio-acteur in de titelrol (met name Jan Decleir) en met een gemengde Studioen KNS-cast. Meermaals waren de Studiowerkvoorstellingen van Tillemans “talk of the town”. Zo bijvoorbeeld in 1971 de ophefmakende “Lysistrata” (Aristofanes): een Griekse komedie waarin de vrouwen hun mannen de geneugten van het echtelijk bed ontzeggen, zolang ze blijven oorlog voeren. Het was een productie die perfect aansloot bij de “seksuele revolutie” die in mei ’68 was gestart met als slogan “make love, not war”!

Na Tillemans was het voornamelijk François Beukelaers, die in de jaren ’70 en ‘80 heeft uitgepakt met een reeks van verrassende voorstellingen, hoofdzakelijk gebaseerd op improvisaties van de studenten (van “Ecology number one” in 1974, tot “Ah! Sweet Mystery of Life” in 1986). Deze werkvoorstellingen werden in de oefenzaal van de Studio in de Maarschalk Gérardstraat voor een steevast talrijk en enthousiast publiek gegeven. Het meest belangrijke werk werd echter niet in de openbaarheid geleverd: bij voorstellingen van studenten is immers (nog) niet het resultaat het belangrijkste, maar wél het doorgemaakte leerproces. Zo wilde Beukelaers dat de jonge acteursindeeersteplaatszichzelfzoudenontdekken.45 “Jemoetdegelegenheidkunnenhebbenomtemislukken. Hoe meer je mislukt, hoe meer je kunt uitvissen wat je wèl kunt”.46

1 In 1965 ging te Gent een nieuw beroepstoneelgezelschap van start onder de naam Nederlands Toneel- Gent, en werd de taak van Nationaal Toneel gespreid over de drie beroepstheaters van Antwerpen (KNS),

19

Studio: uitstraling

In de jaren 1970 en ’80 legde Alfons Goris ook diverse vruchtbare contacten met andere theaterscholen, onder meer de MUDRA-school van Maurice Béjart te Brussel, de toneelscholen van Amsterdam en Maastricht, en de School voor Muzische Kunsten (DAMU) te Praag. Door de vele internationale contacten (ook via het International Theatre Institute van de UNESCO), en het uitnodigen van verscheidene buitenlandse gastdocenten en

projectleiders zorgde hij voor een verruiming van het perspectief. Onder zijn directie genoot de Studio Herman Teirlinck van een stevige reputatie, zowel in het gehele Nederlandse taalgebied, als in de rest van Europa.

Enkele voorbeelden van deze uitstraling mogen speciaal vermeld worden. In het raam van het festival “Europalia België 1980” werd op 28 en 30 oktober 1980 in de hal van het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel met veel succes “De Piskijker” opgevoerd, de dramatisering van een novelle van Herman Teirlinck, onder regie van Alfons Goris. De pers noemde de voorstelling een “pareltje van totaaltheater”47 enloofdezoweldejongeacteurs,alsdeenscenering.Van7tot 11 november 1983 organiseerde de Studio in samenwerking met het Belgisch Centrum van het ITI een internationale ontmoeting over “Body Training in Drama Schools”. Er waren deelnemers uit zowel Nederlandstalig als Franstalig

België, en verder uit Frankrijk, Groot-Brittannië, Tsjecho-Slowakije, de USSR, Nederland en Zweden. Er werden referaten gehouden over de theateropleidingen in de diverse landen, en de verschillende opvattingen over vrije en gecodeerde oefeningen over verhouding van beweging en tekst, instrumentale vaardigheid en interpretatie, kwamen in de discussies ruimschoots aan bod.48 Ook de verscheidene demonstraties door studenten van de theaterscholen uit Antwerpen (Studio), Leningrad, Straatsburg, Brussel (MUDRA), Londen (LAMDA), en Praag (DAMU) werden met veel belangstelling gevolgd. De manifestatie stond onder de hoge bescherming van Koningin Fabiola, die op donderdag 10 november ’83, vergezeld van pro-

vinciegouverneur Andries Kinsbergen en van de choreograaf Maurice Béjart, de activiteiten persoonlijk kwam bijwonen. Tenslottewerdenermetdestudentenvanzoweldeopleiding toneel als van de opleiding kleinkunst regelmatig studiereizen naar theaterscholen in het buitenland ondernomen, onder meer naar Amsterdam, Stratford/Avon, Londen, Edinburgh, Praag, Moskou, Parijs, Düsseldorf, Keulen, Holstebro (Odin Teatret), Milaan.

Er waren onder de directie van Goris ook woelige momenten. In de late nasleep van de beweging van mei ’68 hadden de studenten om medezeggenschap gevraagd. Vanaf 23 maart 1976 sloeg de vlam in de pan, contesteerden de stu-

20

denten hun directeur, en hielden ze een maandenlange staking voor het bekomen van structuurhervormingen. Die kwamen er49, en van het academiejaar 1976-77 af kregen de studenten een geïnstitutionaliseerde vorm van medezeggenschap. In het HIDK kwam een “instellingsraad” met verkozen afgevaardigden van zowel studenten als docenten, die advies zou geven over onder meer de praktische uitwerking van het leerplan, de examens, en de aan te werven lesgevers. Enkele jaren later reageerde een volgende lichting

studenten op een heel andere wijze tegenover hun directeur. Bij de viering van40jaarStudioopzaterdag25oktober198650 werdtevensAlfonsGorisin de bloemetjes gezet, die de Studio vijfentwintig jaar leidde. Niet enkel de officiële sprekers en de talrijke buitenlandse gasten zwaaiden Goris veel lof toe, maar ook de nieuwste generatie van studenten zorgden voor een aangename verrassing. Ze brachten een uitbundig warme hulde aan hun directeur, door student Stef Bos in een ontroerend gelegenheidsgedicht “een zachte beer die gromt” genoemd.

Einde van de jaren ‘80 had Alfons Goris nog intens medegewerkt aan de voorbereiding van een nieuw decreet op het hoger kunstonderwijs. Toen dit grondige voorbereidende werk te elfder ure door de politici in de papiermand werd gekieperd, en het kunstonderwijs met zijn specifieke noden onder de algemene noemer van het Hoger Onderwijs buiten de Universiteit (HOBU) werd gecatalogeerd, ging hij in 1991 enigszins moegestreden voortijdig met pensioen. Zijn opvolger gaf hem, samen met de vele collega’s, studenten, oud-studenten en gouverneur Kinsbergen, op 31 oktober 1991 in de toneelzaal van de Studio Herman Teirlinck een warme afscheidsviering.

vaardigde van Patrick Dewael (gemeenschapsminister voor cultuur) en Jan de Groof, kabinetschef van

21

Jet Naessens en Luc Philips: enthousiasme

In het Antwerpse Conservatorium had in 1947 na de oorlog de KNS-acteur Remy Angenot (1894-1964) de spellessen van Gilhuys overgenomen, terwijl de auteur, regisseur en voormalig leider van het Vlaamse Volkstoneel Anton van de Velde (1895-1983) in 1952 in de plaats van Dolly de Gruyter was gekomen. KNS-regisseur Maurits Balfoort gaf van 1952 af de cursus toneelgeschiedenis. Het waren beslist waardevolle leerkrachten, maar

de opleiding bleef (zoals voorzien door de “nationale” regeling) deeltijds, en voornamelijk avondonderwijs (na 17 uur). Er werden verder bekwame krachten opgeleid, maar de KNS-Nationaal Toneel nam bij voorkeur afgestudeerden van zijn eigen Studio in het gezelschap op. Gent had geen eigen gezelschap (pas in 1965 zou het Nederlands Toneel Gent worden gesticht), en te Brussel had de Koninklijke Vlaamse Schouwburg een goede relatie met het plaatselijke Koninklijk Conservatorium. Het Antwerpse Jeugdtheater, diverse kleinschalige initiatieven, de radio-omroep en het deeltijds kunstonderwijs boden echter nog een boeiend werkterrein voor de vele afgestudeerden van de Antwerpse Conservatorium-opleiding.

In het Conservatorium werden sedert 1959 de KNS-actrice Jet Naessens en sedert 1962 ook de KNS-acteur Luc Philips verantwoordelijk voor de spelopleiding. Jet Naessens had reeds als jonge actrice vóór en tijdens de oorlog voornamelijk onder regies van Joris Diels een opmerkelijke carrière gemaakt.

Luc Philips stond in de jaren ‘60 op het toppunt van zijn acteurscarrière: zo vertolkte hij op de KNS-planken een magistrale Koning Lear, en via de Vlaamse televisie was hij enorm populair als Pastoor Munte (in “Wij, Heren van Zichem”). De eerste decennia na de tweede wereldoorlog werd het vertrouwde stramien van wijlen Maurits Sabbe zonder veel discussie gevolgd. Maar in 1968 veranderde dit. Het

KVC verhuisde op 4 januari 1968 van de Sint-Jakobsmarkt naar een gloednieuw gebouw51 aan de “Wezenberg”, de revolte van mei ‘68 veranderde het maatschappelijk klimaat over de gehelde Westerse wereld, en in september van datzelfde jaar kreeg het KVC een nieuwe directeur. In dit woelige jaar ‘68 lieten ook de theaterstudenten van het Conservatorium van zich horen. Zij vonden de organisatie van de opleiding te ouderwets, en de omvang ervan (nog steeds een beperkte avondopleiding) te minimaal. Zij werden gesteund door hun leraars en bekwamen van de nieuwe directeur Eugène Traey een spectaculaire uitbreiding van het lessenpakket en een verandering van avondopleiding naar een fulltime dagschool, naar analogie met de Studio. ( De volgende jaren volgden ook de Koninklijke Conservatoria van Gent en Brussel het voorbeeld, en gingen hun opleidingen eveneens professionaliseren). De spelleraars kregen een verhoging van het aantal lesuren en het studiecurriculum werd gevoelig uitgebreid. Het vroegere eindexamen met een mengel-

22

moes van kleine fragmentjes uit diverse toneelstukken werd voornamelijk onder impuls van Luc Philips resoluut vervangen door het spelen van volledige voorstellingen. Bij het spelen van toneelfragmenten heeft de student dikwijls de neiging om zijn leraar te imiteren. Wanneer hij samen met een groep een hele voorstelling dient te spelen, leert hij pas hoe hij een rol moet opbouwen in dialoog met zijn medespelers. Zijn enthousiasme en absolute bezetenheid voor het theater wist Philips over te brengen op zijn studenten, die een gelijkaardige gedrevenheid ontwikkelden. Er ontstond opnieuw een hechte groepsgeest bij het docentencorps, waarbij niet enkel de voornoemde spelleraars maar ook Lea Daan (bewegingsleer) en Mimi Peetermans (kostuumleer en scenografie) een grote inbreng hadden. Fel opgemerkte producties als Goldoni’s “De Knecht van twee Meesters” (o.m. uitgenodigd op Europalia Italia 1969 in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel) en Shakespeares “Midzomernachtsdroom”, (1970) brachten de opleiding dramatische kunst van het KVCA opnieuw in de actualiteit. Beide producties worden overigens door de BRT-Vlaamse Televisie opgenomen en uitgezonden.

Meteen kwam er een nieuwe lichting afgestudeerden voor het voetlicht, die vol zelfvertrouwen haar plaats opeiste in het Vlaamse theaterlandschap. Dank zij de vernieuwde pedagogische aanpak vonden de afgestudeerden van het Antwerpse Conservatorium opnieuw zonder problemen hun weg naar alle Vlaamse podia en gezelschappen.WilBeckersenToonBrouwersstichttenin1972het“NieuwVlaamsTheater”52 dateenlaboratorium werd voor eigentijdse dramaturgie, en waar nieuwe dramateksten van onder meer Paul Koeck, René Verheezen, Lucienne Stassaert, Leo Geerts, Rudy Geldhof en Walter Van den Broeck werden gecreëerd. Namen zoals Walter Rits, Frans Maas, René Verheezen (die in 1985 de staatsprijs voor toneel kreeg), Herbert Flack, Camilia Blereau, Sien Eggers, Jos Dom, Peggy de Landtsheer e.v.a. kwamen in de jaren ‘70 bovendrijven, zowel in het Vlaamse theater-, als in de filmen televisiewereld...

“ De knecht van twee Meesters” ( Goldoni), groepsbeeld met publiek. Gespeeld in de inkomhal van het Kon.Vlaams Conservatorium, 1968-69

23

Van Voordrachtkunst naar Woordkunst

In het Conservatorium hadden na de tweede wereldoorlog de opleidingen “voordrachtkunst” en “toneelspeelkunst” een apart leven geleid. Modest Lauwerijs bleef titularis van de leergang “voordrachtkunst” tot 1953. Na een overgangsperiode met Luc Maréchal (die na enkele jaren tot leraar toneelspeelkunst werd aangesteld aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel) werd de cursus vanaf 1959 gegeven door KNS-actrice Jenny van Santvoort die in de “voordrachtkunst” een natuurlijke zegging nastreefde. Tijdens het interbellum had zij als jonge actrice het KNS-publiek bekoord, na de oorlog speelde ze vele ontroerende moederrollen. Haar lessen waren ook gekenmerkt door een ongedwongen, haast familiale sfeer.

Na het heengaan van Jenny Van Santvoort in 1969, werd de plaats van leraar voordracht vacant verklaard. Enkele “groten” uit de Vlaamse theaterwereld, zoals Senne Rouffaer en Julien Schoenaerts, stelden zich kandidaat. Het was echter de totaal onbekende Jaak Demol die door minister Frans Van Mechelen in oktober 1969 werd aangesteld. De studenten protesteerden met klem, een afvaardiging van het studentenbestuur53 trok naar het kabinet van de minister, en kon een “compromis” uit de brand slepen: Demol bleef wel aangesteld, maar er werd een tweede plaats voor de voordracht vacant verklaard, die - tot grote tevredenheid van de studenten - na de normale administratieve procedure in februari 1970 door Senne Rouffaer werd ingenomen. Rouffaer (acteur bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel) stuurde in de korte periode die hij aan het Antwerpse Conservatorium les gaf (van 1970 tot 1975, wanneer hij de overstap maakte naar de toneelklas van het Koninklijk Conservatorium te Brussel) de studenten een sobere richting uit: de voordrachtkunstenaar moet zijn publiek trachten te boeien door

datgene wat hij te vertellen heeft, en niet door het uitpakken met een aantal vocale trucjes. Mede door toedoen van directeur Eugène Traey werden twee uitstekende lesgevers voor de opleiding “voordrachtkunst” aangetrokken: Stan Milbou en Dora Van der Groen. Jaak Demol bleef tot aan zijn pensionering in 1998 een wat stille figuur, die in de schaduw bleef van de andere lesgevers.

Met de komst van Stan Milbou, een subtiele woordkunstenaar en lid van het dramatisch gezelschap van de BRT, werd een inhoudelijke verandering gekoppeld aan een structurele. Bij zijn aantreden als lesgever in 1970 was de cursus voordrachtkunst ofwel een aanhangsel van de opleiding toneel, ofwel een deeltijdse opleiding die “na de uren” gevolgd werd door leraars en leraressen uit de lagere en middelbare scholen. Wanneer Milbou in 1976 titularis werd, maakte hij werk van de geleidelijke uitbouw van de opleiding tot een volwaardige zelfstandige studierichting, met een breed perspectief. Ze was niet langer

hoofdzakelijk afgestemd op het voordragen of reciteren van lyrische of epische literatuur, maar legde eveneens een grote nadruk op de spreekvaardigheid en taalvaardigheid van de studenten. De voordrachtkunst werd sedert het decreet van 1994 op de hogescholen officieel “woordkunst” geheten en werd samen met “toneel” en “kleinkunst” een mogelijke optie van de opleiding “dramatische kunst”. Door deze veranderingen werden ook de toekomstmogelijkhedenvoordestudentenverruimd.Terwijlvroegerdevoordrachtstudentenhoofdzakelijkvoor het deeltijds kunstonderwijs bestemd waren, konden ze nu gemakkelijker terecht in andere werkkringen, zoals

24

Het “ nieuwe gebouw” van het Koninklijk Vlaams Conservatorium, en deSingel naar een ontwerp van architect Leon Stynen

25

radio en televisie (zoals Andrea Croonenberghs, Anja Daems, Gitte Van Hoeijwegen, e.a.), of in recent opnieuw gewaardeerde theatervormen zoals het verteltheater, of in het theater tout court.

1 De delegatie bestond uit de toneelen voordrachtstudenten Toon Brouwers, voorzitter van de studentenraad Scherzo 1968-69, en Hadewich van der Straeten, voorzitter 1969-70.

Dora Van der Groen: de Vlaamse Golf

In 1970 werd Dora van der Groen lesgever in de opleiding voordrachtkunst. Van 1976 af werd ze naast Luc Philips mede-, en van 1980 af hoofdverantwoordelijke voor de toneelopleiding in het Conservatorium. Na de structurele veranderingen onder Sabbe, en de omschakeling naar een fulltime dagschool onder Philips & Naessens, zorgde zij voor een nieuwe inhoudelijke omwenteling. Deze gewaardeerde toneelen filmactrice was niet alleen een oud-studente van het KVC, maar behoorde ook tot de eerste studenten van de Studio, die in de jaren ‘40 het voorrecht hadden les te krijgen van Herman Teirlinck zélf.

Dora van der Groen stelde de persoonlijkheid van de student centraal. Acteren betekende voor haar niet het spelen van rolletjes, het imiteren van voorbeelden, of het typeren van personages. Uiteindelijk kan je als acteur alleen maar jezelf spelen, je eigen personage. Dit eigen personage bestaat uit een heel gamma van “deelpersonages”, die je moet leren ontdekken. De theateropleiding moet de student helpen, in de ontdekkingstocht naar zichzelf, en de zoektocht naar de eigen mogelijkheden. Zodat hij als acteur zijn emotionele verbeelding ook zintuigelijk kan overdragenophetpubliek.Theaterisdekunstzichzelftezijn,aldusDoravanderGroen.54 Geleidelijkaankwam er ook een vernieuwing bij de omkaderende algemene en theoretische vakken. Zo werd bijvoorbeeld de eminente filosoof Ludo Abicht aangetrokken voor “culturele stromingen en filosofie”.

Het Conservatorium leverde een serie theatermakers af, die alle uitblonken door hun opvallende persoonlijkheid, en die sedert het begin van de jaren ‘80 voor een ware revolutie in het Vlaamse theaterlandschap zorgden. De theateropleiding van het Conservatorium werd een waar broeinest van creativiteit. Hieruit kwam onder meer het gezelschap “De witte Kraai” voort (met o.m. Sam Bogaerts, Lucas Vandervost en Johan Van Assche), dat later evolueerde naar “De Tijd” (Lucas Vandervost, Ivo Van Hove, en later Johan van Assche). Na enkele jaren als acteur bij het gezelschap van de KNS, ging Luk Perceval in 1984 met de “Blauwe Maandag Compagnie” van start. Ook Dirk Tanghe werd een spraakmakende regisseur. De jonge Ivo van Hove, die door Dora van der Groen naar het Conservatorium werd gehaald als assistent-leraar - werd een der boeiendste regisseurs van het Nederlandse taalgebied (directeur van het “Zuidelijk Toneel”, in 1997 ook van het “Holland Festival” in Nederland, en van 2001 af directeur van “Theatergroep Amsterdam”). Hij zorgde voor een aantal spraakmakende theaterproducties met de studenten van het Conservatorium, zoals “Blessures” (1985), met een levende tijger op de scène, en “Troïlus en Cressida” (Shakespeare, 1986). Theatermakers zoals Chris Nietvelt, Tania Van der Sanden, Steven Van Watermeulen en Warre Borgmans (om er maar enkele te noemen) kregen een hoge waardering bij zowel het Vlaamse

26

als het Nederlandse publiek. Vanuit het Antwerpse Conservatorium ontstonden een hele reeks van eigenzinnige en boeiende gezelschappen zoals “Stan”, “Cie De koe”, “Maten”, “De Roovers”... In Nederland en Europa werd deze overrompelende Vlaamse creativiteit bekend als de “Vlaamse Golf”. Voor het eerst sedert de scheiding der Nederlanden in de zestiende eeuw keken onze Noorderburen met onverholen bewondering naar het theater in Vlaanderen...

1 Eigen interview. Zie ook: Roelof Naarding: Dora Van der Groen. Drijven op golven van onmogelijkheid.

Studio: een “frisse wind”

Toen Alfons Goris in 1991 met pensioen ging werd hij opgevolgd door de dramaturg Toon Brouwers.55 Het studieplan werd opnieuw grondig bekeken en getoetst aan de ideeën en doelstellingen van Teirlinck. Dank zij onder meer het grote artistieke prestige en het bezielend enthousiasme van acteur Jan Decleir als voornaamste speldocent, kreeg de Studio weer een nieuwe impuls. Van de strenge tucht die er tijdens de directie van Alfons Goris heerste werd er door de impulsieve Decleir, die het artistieke principe van “de waarde van de knoei” hoog in het vaandel voerde, resoluut afgestapt. Decleir beklemtoonde sterk de veranderlijkheid van de kunst. “Alles is veranderlijk. Kunst ook, want kunst is toch de expressie van de levende veranderlijke mens.”56 Het Stanislavskimodel, dat jarenlang één van de pijlers van de Studio-opleiding was geweest, werd door hem verlaten en vervangen door de meer improvisatorische aanpak die hij bij de Blauwe Maandag Compagnie en bij Luk Perceval (opgeleid door Dora Van der Groen) had leren kennen en waarderen. Vakkundigheid bestaat niet uit het gebruiken van een reeks sjablonen, of handige kunstjes, maar groeit uit de eigen ervaring, de eigen gevoeligheid. Het komt er dus op aan die gevoeligheid te ontwikkelen. Benevens de improvisatie, werd ook dialoog en confrontatie met de medespelers en het publiek, met de tekst (auteur), en de ruimte (het materiaal)57 centraal gesteld bij de heroriëntering van de opleiding.

De internationale contacten werden op initiatief van Toon Brouwers opnieuw aangezwengeld, onder meer via een “Tempus” uitwisselingsprogramma van de Europese Gemeenschap. Op theaterscholenfestivals te Brno, Lodz en Amsterdam kregen de getoonde theaterproducties steevast een hoge waardering. Er werd een nieuwe generatie van speldocenten aangetrokken (waaronder Els Dottermans, Luk Perceval, Damiaan De Schrijver, Stef Bos, Manou Kersting, en vele anderen) waardoor de opleiding opnieuw aansluiting kreeg bij de jonge, vernieuwende theatermakers. Dat de faam van de Studio onaangetast bleef, werd aangetoond door het koninklijke bezoek van kroonprins Filip aan de Studio op 1 juni 1993. De prins woonde onder meer een avondrepetitie bij van de eindejaarsproductie van “Elektra”, en onderhield zich nadien op een uiterst informele en gemoedelijke wijze met de studenten en de docenten. Hij sprak onder meer zijn grote waardering uit voor de prestaties, de inzet en de artistieke mogelijkheden van de studenten.

27

Toon Brouwers kreeg als Studiodirecteur echter ook de ondankbare taak om de theaterhogeschool te begeleiden naar een fusie met andere instituten voor hoger onderwijs. De Vlaamse overheid besliste immers begin van de jaren ’90 via een aantal decreten om enerzijds het hoger onderwijs buiten de universiteit te herwaarderen, en anderzijdsomeenstructuurmet“grote”hogescholenterealiseren.58 Deonzekerheidoverhetverderebestaan

van de Studio en over het statuut van het personeel, de vele ontwerpen van decreet waarin nauwelijks rekening werd gehouden met de specificiteit van de hogere kunstopleidingen, de vele tegenstrijdige berichten die de wereld werden ingestuurd, het besef dat een fusie niet alleen tot rationalisatie maar ook tot pijnlijke besparingen zou leiden: dit alles veroorzaakte bij de Studiomedewerkers grote onderlinge spanningen, die jarenlang zouden aanhouden.Bijzijnafscheidsrede59 alsdirecteurin1995legdeToonBrouwers de vingers op enkele pijnlijke wonden. Hij laakte onder meer het onbegrip van de wetgevende overheid tegenover de problematiek van het kunstonderwijs, en betreurde het gebrek aan een aangepast personeelskader.

De nieuwe decreten op het Hoger Onderwijs hadden ook voor gevolg dat de theatercursussen aan de Conservatoria van Antwerpen, Brussel en Gent grondig werden geherstructureerd. Pas aan het einde van de jaren ’60, resp. begin van de jaren ’70, hadden deze Conservatoria hun theateropleiding van avondnaar dagonderwijs gebracht. Nu werden ze ook gedwongen een gestructureerd studieplan op te

stellen, waarbij dat van de Studio, nog steeds gegrond op de ideeën van Teirlinck, model stond.

Ondanks alle opdringerige modetrends in de theaterwereld zoals regisseurstoneel en nieuwe esthetiek, was de Studio onder de nieuwe directie de grondprincipes van zijn stichter en bezieler trouw gebleven. Ze besefte wel dat de opvattingen en theorieën van Teirlinck met een kritisch oog moesten bekeken worden, gecorrigeerd enbijgestuurd.60 Maarhetbasisprincipebleefbeslistbehouden:ookvoordelaatsteStudio-verantwoordelijken was de acteur, de speler, de centrale figuur van het theater. Zoals Teirlinck het geformuleerd had, is de speler de soevereine meester van het spel, die met zijn lichaam en met zijn creatieve mogelijkheden een eigen ruimte, een eigen voorstelling creëert. De Studio bleef het credo61 van Teirlinck trouw: “Ik zal steeds en met dezelfde klem en overtuiging herhalen dat de dramatische kunst begint bij de acteur, zelfs niet bij de tekst, zoals tot grotere schade voor hun kunst, helaas! de toneeldichters denken. Wat de acteur in actie doet, maakt alle andere factoren van het spel aan hem ondergeschikt. Van wat hij doet hangt alles rondom hem in tijd en ruimte af.”

1 De paragrafen over de directie van Toon Brouwers (1991-1995), werden geredigeerd door Jacques Peeters,

28

“Goud uit de Wolken” (naar Dennis Potter) KK 1993-94 Met Bart Voet, Esmée Bos, Mireille Vaesen, Louis Van Beek, Nathalie De Schepper en ( onderaan) Pieter Embrechts (foto Linda Greeve)

“Mistero Buffo” (Dario Fo) SHT 1993-94. Groepsbeeld (foto Linda Greeve)

29

Hogeschool Antwerpen: fusie

In 1995 trad het decreet van 13.07.1994 op de hogescholen in werking. Per 01 september 1995 fuseerden zestien hogescholen in de provincie Antwerpen tot “Hogeschool Antwerpen” met ca 6.500 studenten. De vroegere hogescholen werden “departementen”. De theateropleiding kreeg echter geen eigen departement: het Koninklijk Vlaams Conservatorium (directie Michael Scheck), het Hoger Instituut voor Dans (directie Aimé de Lignière) en het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst-Studio Herman Teirlinck (directie Toon Brouwers) werden samengevoegd tot één “Departement dramatische kunst, muziek en dans” van de Hogeschool Antwerpen, met Michael Scheck als departementshoofd.62 Het voornoemde decreet bepaalde onder meer uitdrukkelijk dat er per vestiging slechts één dezelfde opleiding mocht aangeboden worden. De Conservatoriumen Studio-opleidingen dramatische kunst zouden dus moeten samengaan. Geen voor de hand liggende opdracht, want beide opleidingen bezaten een uitstekende faam, en beide opleidingen hadden (enerzijds met Dora Van der Groen en anderzijds met Jan Decleir als voornaamste speldocent) een eigen pedagogische aanpak, die ze wensten te bewaren. Nochtans leken de uitgangspunten niet zo tegenstrijdig en wanneer je de opvattingen van beide theaterpersoonlijkheden naast elkaar legt spreken ze zelfs een gelijkaardige taal63 . Bovendien waren ze beide sterk beïnvloed door het gedachtegoed van Herman Teirlinck, deed de Studio tijdens het laatste decennium een veelvuldig beroep op docenten met een Conservatoriumopleiding, en speelden de jonge afgestudeerden van beide klassen graag en vlot samen in diverse theatergroepen. Het benadrukken van de eigenheid van elke opleiding had wellicht ook iets te maken met emotionele, dan enkel met rationele of artistieke argumenten.

Na vele vergaderingen en discussies kon het nieuwe departementshoofd Herman Mariën bij het begin van het academiejaar 1997-98 een compromis laten aanvaarden. Beide opleidingen (Conservatorium-toneel en -woordkunst enerzijds, en Studio-toneel en -kleinkunst anderzijds) zouden voortaan samen onder één koepel van het “Hoger Instituut voor Dramatische Kunst” deel uitmaken van het “Departement dramatische kunst, muziek en dans”, dat verder ook nog het “Hoger Instituut voor Dans” en de “Koninklijk Vlaams Conservatorium” omvatte. Op die manier zou de opleiding dramatische kunst een vorm van autonomie binnen het departement verwerven. Enkele coördinatoren (Gommer Van Rousselt, Karel Hermans) kwamen, en gingen. Ondanks de mooie plannen en organigrammen, was er van onderlinge contacten tussen de twee toneelopleidingen nauwelijks sprake. De toneelklas Dora Van der Groen bleef verder in de gebouwen van het Conservatorium gehuisvest, terwijl de toneelklas Studio verder in de Maarschalk Gérardstraat actief bleef.

Op 22 mei 2000 besliste de raad van bestuur van de Hogeschool Antwerpen dat er van het academiejaar 2000-01 af slechts één opleiding drama zou worden georganiseerd, onder één leiding en op één locatie.64 De twee toneelklassen moesten dus fuseren. Bij de studenten en de docenten kwam er een protestactie op gang, die werd overgenomen door de professionele theatersector. De twee toneelopleidingen te Antwerpen werden beschouwd als de twee beste in Vlaanderen, zo werd er geargumenteerd, dus waarom één van deze twee afschaffen?HetdepartementshoofdHermanMariënverdedigdedekleinschaligheidendesubjectiviteit65 alsessentiële elementen van het artistiek-pedagogische project van de theateropleidingen. Het conflict tussen de basis en het hogeschoolbestuur leek even te escaleren. Jan Decleir, die na de fusie van de Hogescholen als artistiek adviseur

30

verder de opleiding van de toneelklas Studio had begeleid, zag af van een verdere medewerking. Daarop werd Johan Van Assche, die coördinator van de toneelklas Dora van der Groen was, aangezocht om de gehele opleiding dramatische kunst - die de nieuwe benaming “Herman Teirlinck Instituut” kreeg - als directeur te leiden. Van Assche, had zich duidelijk uitgesproken tegen de “afschaffing” van één der beide toneelopleidingen. “De toekomst van het theater in Vlaanderen is immers gebaat bij een zo groot mogelijke meerstemmigheid, niet alleen in de theaterpraktijk zelf, maar ook in de wijze waarop jonge mensen worden gevormd om in die theaterpraktijk testappen.”66 Tochkreeghij,naasthetvertrouwenvandedocentenenstudenten,ookhetvertrouwenvanhet Hogeschoolbestuur.

Drie van de vier klassen kregen een andere coördinator. Toneel-Dora Van der Groen werd verder gecoördineerd door Johan Van Assche. Bij Toneel-Studio werd Marc Debisschop met de coördinatie belast. In de Woordkunst werd Stan Milbou opgevolgd door zijn oud-studente Marleen Vertongen, en bij de opleiding Kleinkunst werd Manou Kersting de nieuwe centrale figuur. De administratieve coördinatie bleef bij Franka Daels, die deze taak reeds enkele jaren uitoefende. De rust onder de studenten en de medewerkers keerde weer, en de noodzakelijke minimumdosis discipline werd opnieuw in alle afdelingen ingevoerd. Van Assche bleef een tegenstander van een gedwongen “fusie om de fusie” van de diverse klassen, en liet ze verder naast elkaar werken. Formeel kwam er één opleiding dramatische kunst, met een gemeenschappelijke administratieve en technische omkadering onder één koepel. Artistiek bleven de diverse opties (én de twee toneelklassen) apart opereren. Anderzijds was hij er wel van overtuigd dat een opleiding dramatische kunst zich enkel kan en mag handhaven dooreenconstantekwaliteitnatestreven.67 Eeninstandhoudenvandediversemogelijkhedenenopleidingen, enkel en alleen ter wille van een historisch argument, interesseerde hem niet. De klassen en opties moeten hun bestaansrecht permanent zelf bewijzen.

Bij de aanvang van het academiejaar 2001-2002 werden de diverse opleidingen en klassen in de informatiefolder van het Herman Teirlinck Instituut bondig voorgesteld.

IndeToneelklasStudioligtdenadrukophetcollectieve,hetsamenspelen, de autonomie van de speler, de materiële aanwezigheid van de toeschouwer, de actuele mededeling. De acteur in opleiding is aangewezen op volstrekte verantwoording van wat hij doet. Hij wordt getraind om stapsgewijs zijn verbeelding te leren verbeelden. Hij gaat ook de confrontatie aan met verschillende visies van gastregisseurs of spelbegeleiders. Het aantal voorstellingen en toonmomenten ligt dan ook vrij hoog: de persoonlijkheid en de verbeelding van de toneelstudent wordt extravert naar de toeschouwer ontwikkeld. De confrontatie met een publiek wordt dan ook als essentieel gezien.

In Toneelklas Dora van der Groen staat de theatrale persoonlijkheid van de student centraal. Het vermoeden van deze unieke persoonlijkheid is de belangrijkste norm, zowel bij de toelatingsproeven als tijdens de hele opleiding. Het leerproces wil de emotionele verbeelding in theatrale signalen omzetten: zichtbaar en hoorbaar, en vooral voelbaar. Er wordt veeleer geopteerd voor leraars dan voor vakken. Daarnaast worden de studenten gestimuleerd om creatief hun eigen mogelijkheden te ontplooien. De emotionele band met de toeschouwer komt

31

veeleer tot stand door de verwondering en de interne reflectie van de speler. Confrontaties met een publiek zijn in de opleiding beperkt.

In de opleiding Kleinkunst wordt er van de studenten verwacht dat ze absoluut de behoefte hebben om eigen werk te creëren en ook zelf uit te voeren. Gemeenschappelijk met de toneelopleiding, zijn stemen lichaamstraining, en de algemene vakken als culturele stromingen, wereldliteratuur en filosofie. Specifiek is het grote aandeel van zang, muzikale vorming en speltraining. Via confrontaties met kunstenaars uit diverse disciplines, vertaling en bewerking van singers-songwriters, wordt de student in de loop van de studie progressief gestimuleerd naar eigen creatie en performance.

In de opleiding Woordkunst komt het artistieke aspect van solistische vertolking van epische en lyrische literatuur ruim aan bod. Daarnaast wordt ook een mogelijke loopbaan in de media voorbereid, meer bepaald door scholing in interviewtechniek en radioen televisiepresentatie. De opleiding is gericht op vocale en stemtechnische vaardigheden, lichaamstraining, een ruim aanbod aan culturele en literaire ondersteuning, podiumvastheid, taalvaardigheid, radiofonische montagetechnieken en présence tegenover een publiek.

De principiële beslissing van 22 mei 2000 van de Raad van Bestuur van de Hogeschool, die bepaalde dat de twee toneelopleidingen dienden te fuseren, bleef echter bestaan. Toen in maart 2002 bleek dat er nog weinig vooruitgang was geboekt met de gesprekken tussen de verantwoordelijken van de twee toneelklassen over een samenwerking of geleidelijke integratie, nam de departementsraad na een hoorzitting een pijnlijke, maar noodzakelijkebeslissing68 “omwillevandenakendeaccrediteringzoalsopgenomenindeBologna-verklaringenomwille van de pedagogische en financiële noodzakelijkheid”. Vermits de twee artistieke raden van de toneelklassen niet tot een gezamenlijke oplossing waren gekomen, diende er een keuze gemaakt te worden tussen de twee klassen met hun eigen opleidingsprogramma. Er werd besloten te stemmen tussen twee alternatieven:

1. behoud van het opleidingsprogramma van de klas Dora Van der Groen, met een uitbreiding van de artistieke raad met een vertegenwoordiger van de klas “Studio”

2. behoud van het opleidingsprogramma toneelklas Studio.

Het eerste voorstel behaalde bij de stemming een duidelijke meerderheid (7 tegen 4, met 1 onthouding). Dit impliceerde dat er vanaf 2002-03 slechts één opleiding dramatische kunst zou worden georganiseerd (gebaseerd op het opleidingsmodel van Dora Van der Groen) “met één artistieke opleidingsraad, zo mogelijk uit te breiden met een vertegenwoordiger van de toneelklas Studio” onder het voorzitterschap van Johan Van Assche”. De drie opleidingen (toneel, woordkunst en kleinkunst) werken samen onder de gemeenschappelijke naam van “Herman Teirlinck Instituut”. Zowel de traditie van de Conservatorium-opleiding, als het erfgoed van Herman Teirlinck dienen als basis voor een verdere ontwikkeling. Niet enkel in de benaming van het instituut maar ook in de persoon van Dora Van der Groen, die in de beginjaren van de Studio tot zijn meest getalenteerde studenten behoorde, blijft Herman Teirlinck opvallend aanwezig.

32

En tenslotte

Het probleem van de financiële beperkingen is vandaag nog verre van opgelost, en zal wellicht ook de eerstvolgende jaren nog sterk blijven doorwegen. In onze consumptiemaatschappij is het kunstonderwijs niet echt een prioriteit. Maar er is een team van sterk gemotiveerde coördinatoren, een degelijk docentenkorps, en er zijn intense contacten met het beroepsveld. Dit nieuwe klimaat kan er mede voor zorgen dat de onderscheiden opleidingen inhoudelijk beter op elkaar kunnen afgestemd worden en een nieuw élan krijgen. En wanneer alles volgens plan verloopt zullen binnen enkele jaren de muziek-, dansen theateropleidingen van het departement geconcentreerd worden in het vernieuwde en uitgebreide gebouwencomplex van Conservatorium en deSingel. Kruisbestuiving tussen diverse kunstdisciplines van het departement, en contacten met buitenlandse kunstenaars via het internationaal kunstcentrum deSingel, zullen daardoor gemakkelijker plaatsvinden.

Peter Benoit met zijn aandacht voor de totale kunstenaar, Maurits Sabbe met zijn zorg voor de culturele bagage, Herman Teirlinck met zijn speler als soevereine meester, Alfons Goris met zijn structureren en consolideren, Dora Van der Groen met haar aandacht voor de unieke persoonlijkheid van de acteur, en de vele andere docenten en beleidsverantwoordelijken met hun eigen accenten en klemtonen: allen hebben zij ertoe bijgedragen dat er van 1867 tot heden een heuse “traditie” is ontstaan in de theateropleiding te Antwerpen. Geen starre traditie, wél een traditie die als een stevige basis kan dienen bij de ontwikkeling van nieuwe modellen, nieuwe mogelijkheden, nieuwe perspectieven.

Het is de taak van het “Herman Teirlinck Instituut” om hiervoor de nodige ruimte te bieden en het aangepaste klimaat te creëren.

Antwerpen, april 2003 *****

33

PERSONALIA

PETER BENOIT

Peter Benoit (1834-1901) was afkomstig van Harelbeke en studeerde muziek aan het Conservatoire Royal te Brussel, alwaar hij in 1856 dirigent werd van het orkest van het Théâtre Royal du Parc. Hij behaalde in 1857 een “Prix de Rome”, en reisde nadien als jong dirigent en componist enkele jaren doorheen Europa (met langere haltes o.m. te Berlijn en voornamelijk te Parijs). In 1863 kwam hij naar België terug, waar hij zich eerst te Brussel vestigde, en van 1867 af te Antwerpen. Hij werd een boegbeeld van het toenmalige cultuurnationalisme: in die tijd een revolutionaire en progressieve stroming in geheel Europa, waar verscheidene “nationale scholen” voor een

vernieuwing van de muziekcultuur zorgden (cfr. Glinka in Rusland, Smetana in Tsjechië, Grieg in Scandinavië, e.a.). Door zijn composities, zijn geschriften en voordrachten is Benoit de stichter en bezieler geworden van de Vlaamse Nationale School.

Benoit schreef vele liederen, en partituren voor piano en kamerorkest. Als componist was hij aanvankelijk een gedurfd vernieuwer, maar van 1877 af beperkt hij zich voornamelijk tot muziek, die “door iedereen moet kunnen begrepen worden”. Met grootse oratoria “Lucifer” (1865) en “De Schelde”(1868), wereldlijke koorwerken zoals “Rubenscantate”, “Van Rijswijckcantate”, en Vlaamse opera’s zoals “De Elzenkoning” (1861), “Charlotte Corday” (1876) en “De Pacificatie van Gent” (1876) verwierf hij een grote bekendheid en zelfs een bijzonder populair succes bij de brede lagen van de bevolking, waardoor hij de bijnaam verwierf van “hij leerde zijn volk zingen”. Hij mag ook de “geestelijke vader” worden genoemd van de (Koninklijke) Vlaamse Opera, die in 1893 te Antwerpen werd gesticht door zijn leerling Edward Keurvels en de leraar zang van zijn muziekschool Henry Fontaine.

In 1897 werd, na lange jaren van tegenkanting en moeizame strijd, de muziekschool die Benoit dertig jaar voorheen te Antwerpen had gesticht tot “Koninklijk Vlaams Conservatorium” bevorderd, met hemzelf als eerste directeur. Dit Conservatorium gaf

als eerste Nederlandstalige instelling voor hoger kunstonderwijs in België een opleiding voor zowel muziek als dramatische kunst, en had een voor die tijd bijzonder modern leerplan. Als pedagoog vormde hij vele componisten, waaronder Lodewijk Mortelmans, Paul Gilson en August De Boeck.

JAN VAN BEERS

34

Jan van Beers (1821-1888) werd geboren te Antwerpen, en volgde middelbaar onderwijs aan het Franstalige Klein Seminarie te Mechelen. Onder invloed van de literatuur van Conscience werd hij Vlaamsgezind. In 1842 werd hij leraar Nederlands aan het (Franstalige) college van Pitzemburg te Mechelen (later atheneum). In 1844 werd hij onderbibliothecaris te Antwerpen, waar hij vriendschap sloot met onder meer de gebroeders Van Rijswijck en met Hendrik Conscience. In 1849 werd hij leraar aan de Rijksnormaalschool te Lier (die sedert 1995 deel uitmaakt van de Hogeschool Antwerpen), waar hij zich toelegde op de Nederlandse taalen letterkunde: zo publiceerde hij in 1852 een “Nederduitsche Spraekleer”.

In 1860 werd hij leraar aan het Koninklijk Atheneum te Antwerpen, waarna hij een indrukwekkende reeks schoolboeken publiceerde, en ervoor ijverde om de Nederlandse taal een officiële basis te verschaffen. Hij was een verdienstelijk dichter, en zijn dichtbundel “Jongelingsdromen” (1853) kreeg tijdens zijn leven 9 herdrukken (waarvan 8 in Nederland). In 1867 werd hij leraar declamatie aan de door Peter Benoit gestichte Muziekschool (tot 1875). Na de verkiezingen van 1875 zetelde hij (tot aan zijn dood in 1888) in de Antwerpse gemeenteraad.

JOS VAN DEN BRANDEN

Frans-Jozef-Peter, bekend als Jos Van den Branden (1837-1922) was van 1855 tot 1863 werktuigkundige (“ajusteur”) die het in 1899 tot stadsarchivaris van Antwerpen bracht. Hij schreef literair-historische studies onder meer over “De ouders van Conscience”, de auteurs Willem Ogier, Anna Bijns, Willem

Zetterman, en over de ‘Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool’(1877). Als leerling van Jan van Beers, speelde hij toneel in het vrijetijdstheater. Hij werd geprezen om zijn mooie uitspraak, en werd in 1863 in een wedstrijd tussen Antwerpse “declamators” met de eerste prijs bekroond. Met zijn blijspelen zoals “Een nieuwbakken rijke” (1867), zijn huiselijke drama’s zoals “Huiselijk wel en wee” (1867), en zijn toneelbewerking van Conscience’s roman “Baas Gansendonck” behaalde hij een behoorlijk succes, Zijn (overigens onnauwkeurig) historisch drama “De Val van Antwerpen” (1873) werd bekroond in een wedstrijd die door de Gentse maatschappij “De Taal is gansch het Volk” was uitgeschreven. Als leraar declamatie aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, vormde hij

tussen 1876 en 1906 een hele generatie van acteurs en voordrachtkunstenaars.

35

MAURITS SABBE

Maurits Sabbe (1873-1938) werd te Brugge geboren in een vrijzinnig en Vlaamsgezind milieu, als zoon van Julius Sabbe. Hij promoveerde in 1896 aan de Universiteit te Gent tot doctor in de Germaanse filologie met een proefschrift over Jan Luyken. Hij gaf enkele jaren les aan middelbare scholen, en was in de periode vóór de eerste

wereldoorlog erg bedrijvig op letterkundig gebied. Zo publiceerde hij in 1907 de novelle “De Filosoof van ’t Sashuis” een aantal drukgelezen verhalenbundels, waarin hij met humor en sympathie de gewone mens observeert. Zijn toneelstukken “Bietje” en “Pluk de Dag” zijn dramatiseringen, gebaseerd op zijn eigen prozateksten.

Van 1907 tot aan zijn dood in 1938 was hij titularis van de toneelopleiding aan het Koninklijk Conservatorium, die hij grondig hervormde en structureerde. In 1919 werd hij benoemd tot conservator van het Plantin-Moretusmuseum, in 1921 docent aan de Koloniale Hogeschool, en in 1923 aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. In 1923 werd hij hoogleraar in de geschiedenis der Nederlandse letteren aan de Université Libre de Bruxelles. Als conservator en hoogleraar, en als lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taalen Let-

terkunde, heeft Sabbe ook heel wat wetenschappelijk werk verricht, die zijn weerslag vond in talrijke publicaties, cultuurhistorische studies en essays.

MINA DILIS-BEERSMANS

Mina Dilis-Beersmans (1863-1935) was een dochter van de legendarische actrice Catharina Beersmans (1844-1899), die zowel in Vlaanderen als in Nederland carrière had gemaakt. Mina Beersmans volgde als 15-jarige toneellessen aan de Amsterdamse toneelschool. In 1881 debuteerde ze op de planken van de Nederlandse Schouwburg, waarbij haar klare en zuivere dictie werd geprezen. Ze speelde enkele jaren te Rotterdam, en trad in 1884 in het huwelijk met de acteur Jan Dilis, één der grote Vlaamse Shakespeare-vertolkers van zijn tijd. Zij speelde verder te Antwerpen, en maakte de evolutie mee van Victor Driessens tot Jan Oscar de Gruyter.

Mina Dilis-Beersmans was een actrice, die bij haar vertolkingen steeds het grote gevoel onder de voogdij stelde van het verstand. Zo schitterde zij in de titelrol van “Het Beroep van Mrs Warren” (Shaw). Toen Jan-Oscar de Gruyter in 1922 directeur werd van de KNS, beschouwde hij haar echter als van de “oude garde”, en kreeg ze nog weinig werk. In 1925 nam ze met de rol van Medea afscheid,

overigensgevolgddooreenbittereafscheidsrede. In1916werdzemonitrice,envan1919tot1929waszelerares toneel aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium.

36

LOUIS BERTRIJN

Louis Bertrijn (1868-1950) speelde bij amateur-gezelschappen, en kwam op 23-jarige leeftijd bij de Circusschouwburg terecht. Hij ontpopte zich tot een gevoelige en hartstochtelijke “jeune premier”, zowel in populaire blijspelen, als in het moderne repertoire (bijvoorbeeld als Osvald in “Spoken” van Ibsen.) Tijdens zijn acteurscarrière evolueerde hij naar karakteren vaderrollen.

Van 1912 tot 1920 was hij directeur (sommige jaren codirecteur) van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen. Hij had een voorliefde voor het Franse conversatiestuk, en introduceerde onder meer Henrik Ibsen, G.BernardShaw,GerardHauptmannenHermanHeijermans. Van1917tot1933washijalsleraarverbondenaan de toneelopleiding van het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen.

MODEST LAUWERIJS

J. Modest Lauwerijs (1887-1967) studeerde aan het KVCA en werd in 1909 monitor bij Prof. Maurits Sabbe. Op diens voordracht werd hij in 1919 aangesteld tot leraar voordracht aan het KVCA. Wegens de oorlogsomstandigheden kon hij deze taak niet opnemen: hij werd zwaar gewond, uit het leger ontslagen, en week voor verzorging uit naar Nederland. Hij gaf er

les in de “Vereniging tot beoefening van vocalen en dramatische kunst” te Amsterdam, aan de muziekacademie van Den Haag, en verwierf naam als voordrachtkunstenaar.

Na de oorlog nam hij zijn functie in het Conservatorium op, en bleef 43 jaar (tot 1953) werkzaam als leraar dictie en voordrachtkunst. Hij speelde enkele jaren (onder De Lattin & Van Laar) bij het gezelschap van de KNS te Antwerpen, trad veelvuldig op als voordrachtkunstenaar in Vlaanderen en Nederland, en maakte ook tournees in Zuid Afrika. Hij was actief in het “Algemeen Nederlands Verbond”, was erg begaan met de verspreiding van het algemeen Nederlands, en was van 1932 tot 1945 voorzitter van de “Vereniging voor Beschaafde Ommegangstaal”. Na de tweede wereldoorlog was hij van de nieuwe VBO (opnieuw opgericht onder impuls van Herman Teirlinck, Willem Pée en Ger. Schmook) nog erevoorzitter.

37

DOLLY DE GRUYTER

Dolly de Gruyter (1887-1975) of met haar meisjesnaam Maria Adolphina Peuteman studeerde toneel aan het Conservatorium en aan de Toneelschool te Gent. Ze leerde er Jan-Oscar De Gruyter leerde kennen, die ze in 1911 huwde. Bij het Vlaamse Volkstoneel en later van 1922 af in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen, speelde ze onder de directie van haar man vele leidende rollen, zoals Helga in “Starkadd” (Hegenscheidt), Cornelia in “Koning Lear” (Shakespeare) en de titelrol in “St.-Joan” (Shaw).

Na het overlijden van Jan-Oscar De Gruyter werd ze in opvolging van Mina Dilis- Beersmans tot lerares toneel aangesteld in het KVC te Antwerpen, een functie die ze bleef uitoefenen tot 1952.

CHARLES GILHUYS

Charles Gilhuys (1881-1955) werd geboren te Amsterdam, en speelde in Nederland als acteur onder meer bij Eduard Verkade en Albert van Dalsum. In 1921 werd hij door Gust Cauwenberg geëngageerd bij het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg. Als regisseur had hij een voorliefde voor Shakespeare, wiens stukken hij veelvuldig regisseerde, ook in producties met Jan Oscar De Gruyter in de voornaamste rollen: Macbeth, Koning Lear, Othello. Als acteur speelde hij onder meer Hamlet, Romeo en Shylock. Van 1934 tot 1946 was hij leraar

JORIS DIELS

toneelspeelkunst aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen. In 1938 werd hij (als tegenkandidaat van Joris Diels) samen met Jan Cammans directeur van de KNS, maar na amper één seizoen moest dit duo afhaken. Tijdens de oorlogsjaren was hij bedrijvig te Brussel en te Gent, waar hij in januari 1943 op 62-jarige leeftijd nog de rol vertolkte van Hamlet. Na de tweede wereldoorlog was hij nog tot

1951 aan het gezelschap van de KNS verbonden.

Joris Diels (1903-1992) studeerde aan de normaalschool, en stichtte in 1923 “Het Vlaamse Kamertoneel” te Antwerpen, waar hij een vernieuwend repertoire bracht. In 1925 werd hij door Oscar De Gruyter aan het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg verbonden, waar hij zich spoedig een begaafd acteur en regisseur toonde.In1935volgdehijWillemBenoyopalsdirecteurvandeKNS.Toenhijin1938verrassendnietinzijnfunctie

38

werd bevestigd, speelde hij in de nabije Arenbergstraat met zijn eigen “Gezelschap Joris Diels”. In 1939 vroeg het stadsbestuur hem opnieuw de directie van de intussen zieltogende KNS op zich te nemen. Diels bracht een artistieke en kwalitatieve verbetering in het repertoire en de speelstijl, en wist een breed publiek aan te spreken.

Tijdens de tweede wereldoorlog richtte hij het “Hoger Instituut voor Toneel en Regie” op. Na de bevrijding werd hij eerst bij verstek veroordeeld, maar in 1947 vrijgesproken van collaboratie. Toch werd het hem onmogelijk gemaakt in Vlaanderen verder te werken. Samen met zijn echtgenote, de actrice Ida Wasserman, week hij uit naar Nederland, waar hij bij de “Haagse Comedie” een tweede schitterende carrière uitbouwde als acteur, regisseur, en lid van de artistieke leiding.

HERMAN TEIRLINCK

Herman Teirlinck (1879-1967) was ambtenaar, journalist, handelaar, docent aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel, directeur van het Hoger Instituut voor Bouwen Sierkunsten te Brussel (Ter Kameren), promotor van het Nationaal Toneel, en oprichter van de Studio van het Nationaal Toneel.

Zijn literaire carrière begon hij eerst in het Frans. Van 1904 af schakelde hij over naar het Nederlands (cfr. zijn roman “De lemen Torens”, in samenwerking met Karel van de Woestijne). In zijn jonge jaren was hij oprichter en/of medewerker van verscheidene tijdschriften. Hij schreef een aantal romans en novellen (“Mijnheer Serjanszoon” 1908, “Het ivoren Aapje” 1909, “Maria Speermalie” 1940, “Het Gevecht met de Engel” 1952) die tot nog toe zowel in Vlaanderen als in Nederland een beetje ondergewaardeerd bleven.

Op theatergebied zocht hij aansluiting bij de toenmalige nieuwe internationale stromingen (Craig, Stanislavski). Tijdens het interbellum trachtte hij het Vlaamse theater in expressionistische zin te vernieuwen, cfr. “De vertraagde Film” (1922) en “Ik Dien” (1922), onder invloed van Maeterlinck en het Russische expressionisme van onder meer Meijerchold (beide gecreëerd door de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel.) In de jaren 1923 tot 1925 experimenteerde hij te Delft met openluchtspelen zoals het “Torenspel” en het “AZ-spel” (regie Johan de Meester).

Van 1926 ondernam hij als leraar toneeltechniek in “Ter Kameren” (een hogere kunstschool te Brussel, o.l.v. Henry van de Velde) allerlei experimenten, onder meer met decor en belichting. Hiervoor had hij een eigen theatertje ter beschikking, ontworpen door Henry van de Velde. Hij experimenteerde ook met dans, muziek (Milhaud), teksten (Claudel), maskers en (beschilderde) toneelkledij. Van 1938 tot 1951 was Teirlinck directeur van Ter Kameren, officieel “Nationale Hogere School voor Bouwen Sierkunsten”, te Brussel

Na de tweede wereldoorlog werd hij regeringsadviseur voor toneel. Hij was de gangmaker van het Nationaal Toneel (gesticht in 1945) en richtte in 1946 te Antwerpen een moderne theaterschool op: de “Studio van het

39

Nationaal Toneel”, die in 1967 een rijksinstelling werd als “Hoger Instituut voor Dramatische Kunst” en die kort voor zijn dood de roepnaam “Studio Herman Teirlinck” kreeg. Teirlinck schreef ook een aantal interessante theoretische beschouwingen over het theater, die gebundeld en gepubliceerd werden als “Dramatisch Peripatetikon” (Antwerpen: Ontwikkeling, 1959). In 1938 werd hij doctor honoris causa van de Université Libre de Bruxelles, en in 1947 van de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, in 1954 van de Universiteit van Luik, en in 1959 van de Rijksuniversiteit te Gent. In 1950 kreeg hij de Belgische Staatsprijs ter bekroning van zijn loopbaan, en in 1956 de Belgisch-Nederlandse Grote Prijs der Nederlandse Letteren.

LEA DAAN

Lea Daan (1906-1995, artiestennaam van Paula Gombert) studeerde onder meer dans en bewegingsleer in Duitsland bij Rudolf von Laban en Kurt Jooss. Zij stichtte een eigen dansgroep, en creëerde vele choreografieën op muziek van Vlaamse componisten.

Van 1935 tot 1940 gaf ze dagelijkse “turnlessen” via het NIR (Nationaal Instituut voor Radio-omroep.) Als choreografe was ze mede verantwoordelijk voor vele massaspelen en monumentale stoeten, zoals de “Heilig Bloedprocessie” te Brugge. Ze verleende ook regelmatig haar medewerking aan diverse theaterproducties. Zo realiseerde ze in 1966 als choreografe samen met Jo Dua (regisseur) de memorabele productie “Marat-Sade” (Weiss) in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel. Zij gaf van 1946 af decennia lang lessen bewegingsleer aan de Studio van het Nationaal Toneel resp. Studio Herman Teirlinck en van 1948 af aan de Koninklijke Conservatoria te Antwerpen en te Gent, en

in haar privé-school “Dansschool Lea Daan” aan de Frankrijklei 107 te Antwerpen.

FRED ENGELEN

Fred Engelen (1912-1967) volgde een toneelopleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen. In 1938 engageerde Joris Diels hem bij het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, waar hij werkzaam was als acteur en regisseur. In 1942 droeg Diels hem bovendien de leiding op van “Het Jeugdtheater van de KNS”, dat hij structureel uitbouwde. In 1948 werd hij door Herman Teirlinck gevraagd om de leiding te nemen van de door hem gestichte “Studio van het Nationaal Toneel”. Hij werd er als de voornaamste speldocent de bezieler en de drijvende kracht van deze theaterschool. Van 1952 tot 1961 was hij een van de meest geprofileerde regisseurs van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, met fel opgemerkte producties van Brecht en Ionesco, en bewerkingen van Hasek en Kafka.

40

Samen met zijn echtgenote, de actrice Tine Balder, week hij in 1961 uit naar Zuid-Afrika, waar hij benoemd werd tot professor en hoofd van het nieuwe Drama Departement van de universiteit van Stellenbosch. Bij gelegenheid regisseerde hij tijdens zijn vakantieperiode (de winterperiode voor het Noordelijk halfrond) nog in België. Op 3 december 1967 overleed hij onverwacht te Stuttgart tijdens een voordrachttournee.

WILLEM PÉE

Willem Pée (1903-1987), promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte en letteren aan de Rijksuniversiteit te Gent. Van 1931 was hij assistent dialectologie en fonetiek, en van 1957 tot 1971 gewoon hoogleraar aan de Gentse universiteit. Hij was ook hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Luik. Internationaal werd hij hoog gewaardeerd als een specialist in de dialectkunde. Jarenlang was hij lid (en een tijdlang voorzitter) van de Spellingscommissie. Als vriend van Herman Teirlinck maakte hij als leraar fonetica deel uit van het leraarsteam van de Studio.

ALFONS GORIS

Alfons Goris (*1930) werd licentiaat Germaanse talen aan de Rijksuniversiteit Gent, en laureaat (acteur) van de Studio van het Nationaal Toneel (1961). In 1961 werd hij werkleider, in 1967 directeur (tot 1991) van de Studio Herman Teirlinck- Hoger Instituut voor Dramatische Kunst, dat hij structureel uitbouwde tot een vooraanstaand en gerenommeerd opleidingsinstituut in Europa. Hij realiseerde als regisseur met de Studiostudenten diverse opmerkelijke producties, onder meer “Rosencrantz en Guildenstern zijn dood” (Stoppard), “De Duivel en God” (Sartre) en “Faëton” (Vondel). Hij was ook docent aan de Mudra-school van Maurice Béjart te Brussel. Na gedurende ca. dertig jaar de Studio geleid te hebben, ging hij in 1991 met vervroegd pensioen.

Grote verdiensten heeft hij ook door zijn promotie van het Nederlandse dramatische repertoire, met de creatie van nieuwe hedendaagse teksten (onder meer van Jos Houben, Bert Verminnen, Lucienne Stassaert, Marcel Van Maele) of door het opnieuw in de belangstelling brengen van “vergeten” teksten uit ons literair verleden.

Goris vertaalde toneelwerk van onder meer O’Casey, Julius Hay, Bertolt Brecht, Euripides, Peter Hacks, en Michel de Ghelderode. Hij speelde en regisseerde bij diverse Vlaamse toneelgezelschappen, onder meer KNS- Antwerpen, KVS-Brussel, Theater Ivonne Lex, Arca-Net, Studio Herman Teirlinck, e.a. Hij was van 1961 tot 1979 secretaris van de Zuid-Nederlandse sectie-toneel, van de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren. Hij is lid van de Koninklijke Academie voor Kunsten en Wetenschappen te Brussel.

41

RIK GYLES

Rik Gyles (*1938) kreeg een toneelopleiding aan de Studio Herman Teirlinck te Antwerpen, en volgde aansluitend nog lessen aan de Academy of Television Arts and Sciences te New York. Van 1961 tot 1969 was hij realisator en producer bij de Belgische Radio en Televisie. Hij stond mede aan de wieg van de Kleinkunst-opleiding van de Studio Herman Teirlinck te Antwerpen, waar hij van 1969 tot 1973 werkleider-kleinkunst was. In 1973 werd hij adjunct-studieleider van de Academie voor Kleinkunst te Amsterdam, en in 1977 werd hij stafmedewerker van De Toneelschool aldaar.

WALTER TILLEMANS

Walter Tillemans (*1932) was actief in de culturele kring “De Nevelvlek” te Antwerpen, en werd in 1961 laureaat van de Studio. Van 1961 tot 1964 was hij adjunct-werkleider van de Studio, waar hij in de jaren ’60 en ’70 diverse spraakmakende producties met de Studiostudenten realiseerde.

In 1964 werd hij huisregisseur bij het gezelschap van de KNS (tot 1985), waar hij vooral in de jaren ’70 een reeks indrukwekkende ensceneringen bracht, met producties van o.m. Shakespeare, Brecht, Molière, Kohout en Christiaens. In 1978 was hij samen met Toon Brouwers en Frank Aendenboom medestichter van het Raamtheater, dat hij in 1983 ombouwde tot “Nieuw Ensemble RaamTeater” en dat hij tot 1997 als directeur en artistiek leider zou leiden. Bovendien was hij van 1991 tot 1994 tevens directeur van hetsamenwerkingsverband“EnsembleKNS-RaamTeater”.Hijbehaaldemetzijnregies

van klassieke stukken, onder meer van Molière en Shakespeare, grote successen, evenals met ensceneringen van stukken van 20-ste eeuwse auteurs zoals Bertolt Brecht, Arthur Miller, Pavel Kohout, Jan Christiaens en Hugo Claus. Hij regisseerde ook in het buitenland (o.m. Nederland, Oostenrijk, Duitsland, en Israël), en was verder actief als vertaler, bewerker en co-auteur van toneelstukken.

MARINA CANDAEL

Marina Candael (*1922) volgde een balletopleiding te Antwerpen (Balletschool van de Koninklijke Vlaamse Opera) en te Parijs. Ze was als danseres en soliste onder meer verbonden aan de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen. Van 1950 tot 1964 werkte ze als solodanseres en choreografe aan diverse theaters en gezelschappen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Van 1965 af was ze gastchoreografe bij de Vlaamse televisie, en aan diverse theaters in België. In 1969 werd ze voordrachthouder aan de opleiding “kleinkunst”, en van 1975 tot 1988 was ze werkleider aan het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst te Antwerpen.

42

FRANCOIS BEUKELAERS

François Beukelaers (*1938) studeerde een jaar architectuur aan “La Cambre” te Brussel, waar hij het “Théâtre de la Cambre” stichtte. Herman Teirlinck haalde hem naar de Studio, waar hij een acteursen regisseursopleiding kreeg. Van 1965 tot 1971 was hij verbonden aan het gezelschap van de KNS, waar hij bij voorkeur met jonge acteurs werkte en controversiële producties maakte, zoals “Kleine Malcolm en zijn strijd tegen de Eunuchen” (Halliwell).

Als acteur en regisseur werkte hij bij diverse gezelschappen, o.m. bij de KVS (Brussel), Arca en Victoria (Gent), en de Haagse Comedie (Den Haag). In 1981 kreeg hij een engagement bij het (Franstalige) Théâtre Varia te Brussel, waar hij acteerde en regisseerde, en onder meer de Franstalige Belgische auteur Jean-Marie Piemme in het theater lanceerde. Hij speelde in meerdere langspeelfilms, onder meer in “Un soir, un train” (Delvaux) en “Brussels by Night” (Didden).

In de Studio Herman Teirlinck was hij in de jaren ’70 en ’80 een der voornaamste speldocenten, die door middel van improvisaties de creativiteit van de studenten opvallend kon stimuleren.

REMY ANGENOT

Remy Angenot (1894-1964) startte zijn toneelcarrière als figurant bij de Vlaamse Opera, en in het revue-theater. In het KVC ging hij zich verder bekwamen. In 1915 kreeg hij reeds een contract bij de KNS aangeboden, hoewel hij pas in 1918 aan het Conservatorium zijn diploma zou behalen. Angenot was een veelzijdige acteur, die zich in vele genres en personages thuis voelde: de titelrol in “Don Carlos” (Schiller) en “De Idioot” (naar Dostojewski), Prior in “Het Klooster” (Verhaeren), Dokus in “De Wonderdoktoor” (Janssen) of Gaston in “De reiziger zonder bagage” (Anouilh). Bijzonder bekwaam was hij in de (toen nog zo belangrijke) kunst van het schminken. In opvolging van Charles Gilhuys, was hij van 1946 tot 1959 leraar toneelspeelkunst aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium.

ANTON VAN DE VELDE

Anton Van de Velde (1895-1983) maakte deel uit van een beweging, die in de 20ste eeuw tijdens het interbellum een renouveau van de christelijke kunst in alle disciplines wilde nastreven. Hij schreef een aantal expressionistische theaterteksten, en behaalde met zijn toneelstuk “Tijl” in 1925 een opmerkelijk succes bij het Vlaamse Volkstoneel. Toen Johan de Meester in 1929 dit gezelschap verliet, nam Anton Van de Velde tot 1932 de directie van dit VVT op zich. Hij bleef verder actief als regisseur, onder meer van massaspelen zoals het Heilig Bloedspel te Brugge. Na de tweede wereldoorlog schreef Van de Velde een aantal romans (ook voor de jeugd), en was hij in de jaren ’50 en ’60 een der huisregisseurs van de Koninklijke Vlaamse Opera. Van 1952 tot 1962 was hij leraar toneel aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen.

43

JET NAESSENS

met de acteur Jos Gevers, en was van 1959 tot 1975 lerares toneelspeelkunst aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen.

LUC PHILIPS

Jet Naessens (*1915) kreeg een theateropleiding aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen. In 1938 werd ze door Joris Diels geëngageerd bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, waar ze debuteerde als Titania in “Midzomernachtsdroom” (Shakespeare), en haar hele carrière lang zou spelen. Als actrice met een droomfiguur werd ze aanvankelijk veelvuldig ingezet als “het mooie jonge meisje”, zoals voor de titelrol in “Fientje Beulemans” (Fonson & Wicheler). Het dramatische genre beheerste ze evenzeer, zoals de solorol in “De Sproke van Beatrijs”, de titelrol in “Marieken van Nieumeghen”, of Elisabeth in “Don Carlos” (Schiller). Geleidelijk aan evolueerde ze naar het spelen van opmerkelijke karakterrollen, zoals Eliza Doolitle in “Pygmalion” (Shaw), Diana in “De Hond van de Tuinman” (Lope de Vega), Natalja Petrovna in “Een maand op het land” (Toergeniev) en Célimène in “De Misanthroop” (Molière). Zij was gehuwd

Luc Philips (1915-2002) volgde de theateropleiding van het KVC te Antwerpen. In 1942 werd hij als assistent-toneelmeester door Joris Diels geëngageerd bij het gezelschap van de KNS te Antwerpen, waarbij hij af en toe ook een rolletje mocht vertolken. Geleidelijk aan groeide hij uit tot één der meest veelzijdige acteurs van het gezelschap.

Van 1962 af was hij nu eens onder contract bij de BRT, dan weer bij het theater. In de jaren ‘60 en ’70 zorgde hij bij de KNS voor uitverkochte zalen met zijn titelrollen in Galileï (Brecht), Warenar (Hooft), Koning Lear (Shakespeare) en August (Kohout). Bij het televisiepubliek werd hij enorm populair o.m. als Pastoor Munte in “Wij, Heren van Zichem” (naar Claes). In de jaren ’70 bleef hij een publiekstrekker in de KNS, maar in 1978 stapte hij over naar het Reizend Volkstheater, waarmee hij jarenlang als “De Vrek” (Molière) Vlaanderen rondreisde. Gepensioneerd, bleef hij onder meer als “Bompa” (Ruud de Ridder) voor de televisie, en als “De tuinman van de Koning” (Van den Broeck)

in het theater een populair acteur. Philips was o.m. ook leraar toneel aan het Stedelijk Conservatorium te Mechelen, en medeoprichter van het

Mechels Miniatuur Theater. Van 1962 tot 1981 was hij leraar toneel aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen.

44

JENNY VAN SANTVOORT

Jenny van Santvoort (1899-1983) kreeg haar theateropleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, en was van 1921 tot 1972 (met een kleine onderbreking) als actrice verbonden aan het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg aldaar. In het begin van haar toneelcarrière speelde ze vele jongemeisjesen ingénue-rollen, zoals Ophelia in “Hamlet” (Shakespeare), Natasja in “De Idioot”, en Groesjenka in “De gebroeders Karamazov” (Dostojevski). Na de tweede wereldoorlog speelde ze vooral moederen karakterrollen, zoals Aase in “Peer Gynt” (Ibsen), Amanda in “Glazen Speelgoed” (Williams), en de Weduwe Lauwereyssen in “Lijmen” (naar Elsschot). Tijdens de oorlogsjaren was ze lerares toneel aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, waar ze van 1959 tot 1969 lerares voordrachtkunst was.

JAAK DEMOL

Jaak Demol (1924-2000) behaalde in 1952 een eerste prijs voordracht aan het Conservatorium te Brussel. Hij gaf les in voordracht en dictie aan diverse muziekacademies, onder meer te Turnhout en te Sint-Agatha Berchem, en regisseerde in het amateurtheater. In 1970 werd hij aangesteld tot leraar voordrachtkunst aan het KCA, waar hij tot 1989 actief bleef. Hij was ook nog leraar aan het Sint-Pieterscollege te Jette, en aan het Lemmensinstituut te Leuven.

SENNE ROUFFAER

Senne Rouffaer (*1925) volgde klassieke humaniora te Hoogstraten, waar hij ook theatervoorstellingen speelde onder leiding van Ast Fonteyne. Hij volgde theateren voordrachtlessen te Antwerpen, en te Gent. Van 1951 tot 1956 was hij als acteur verbonden aan het Reizend Volkstheater. In 1956 kwam hij bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel waar hij tientallen klassieke rollen vertolkte, onder meer de titelrollen in “Hamlet”, “Richard III”, “Romeo & Julia”, “Macbeth” (Shakespeare) en “Tartuffe” (Molière). Ook in het moderne repertoire scheerde hij hoge toppen, bv. Als Hamm in “Eindspel” (Beckett). Hij was een veelgevraagd gastacteur in Vlaanderen en Nederland, en een intelligent theaterregisseur, die onder meer vruchtbaar samenwerkte met de Vlaamse auteur Johan Boonen.

Rouffaer was ook een succesvol filmacteur, zoals in “De man die zijn haar kort liet knippen” (1956, André Delvaux naar Johan Daisne) of in “Monsieur Hawarden” (1968, Harry Kümel naar De Pillecijn). Bij de jongere generatie van de jaren ’60 was hij enorm populair als Kapitein Zeppos in de gelijknamige televisiereeks (Bert Struys, 1964-65, BRT). In 1970 werd hij leraar voordracht aan het KVCA, maar in 1975 maakte hij de overstap naar het

45

STAN MILBOU

Stan Milbou (*1936) studeerde na zijn humaniora aan de School voor Maatschappelijk Dienstbetoon te Roeselare, en aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen waar hij in 1959 een eerste prijs toneel, en in 1960 een eerste prijs voordracht behaalde. Hij trad veelvuldig op als recitant bij concerten, en als vertolker van epische literatuur in binnenen buitenland. Van 1961 tot 1998 was hij werkzaam bij de Literaire dienst, later bij “Radio 3” van de BRT/VRT, als resp. medewerker, lector, en tenslotte producer.

In 1970 werd hij lesgever, in 1976 leraar en later coördinator (tot 2000) bij de optie “voordrachtkunst” (heden “woordkunst” geheten) van het KVC. Hij gaf aan deze optie en nieuwe structuur, en bezorgde haar een nieuw élan.

DORA VAN DER GROEN

Dora Van der Groen (*1927) volgde een toneelopleiding aan het Hoger Instituut voor Toneelen Regie van Joris Diels, aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium, en aansluitend aan de Studio van het Nationaal Toneel.

Als actrice debuteerde ze in 1951 bij het Theater op Zolder te Antwerpen, speelde ze bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen, de Koninklijke Vlaamse schouwburg te Brussel, en vele andere gezelschappen. Ze realiseerde aangrijpende tragische rollen, die ze met een haast vanzelfsprekende eenvoud kon vertolken, zoals de titelrol in “Het Dagboek van Anne Frank”, of Blanche in “Tramlijn Begeerte” (Williams). In 1958 werd haar de HeLeNaprijs toegekend voor haar acteerwerk. Regelmatig was zij betrokken bij grensverleggende theaterprojecten, zoals de creatie van “Mistero Buffo” (1972) in de Muntschouwburg

te Brussel, waaruit de “Internationale Nieuwe Scène” is ontstaan. In 1962 werd zij lid van het dramatisch gezelschap van de BRT. Zij speelde in populaire televisiereeksen (o.m. “Tussen Wal en Schip”, VARA 1976-77) en in langspeelfilms, o.m. in “Monsieur Hawarden” (Kümel, 1968), “Rolande met de Bles” (Verhavert, 1972), “Dokter Pulver zaait Papavers “ (Haanstra, 1975), en “Pauline en Paulette” (De Brauwer, 2001).

Van 1970 tot 1976 was ze assistent voordrachtkunst aan het KVC. In 1976 werd ze, naast Luc Philips, medeen van 1980 af hoofdverantwoordelijke voor de toneelopleiding in het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen. Als pedagoge heeft ze vele jonge theatermakers gevormd, die aan de basis lagen van de spectaculaire en vernieuwende “Vlaamse Golf” in de laatste decennia van de 20ste eeuw. Onder meer hiervoor kreeg ze in 1991 de Thaliaprijs, en in 2001 de Thersitesprijs van de Vlaamse theatercritici.

46

IVO VAN HOVE

Ivo van Hove (*1958 ) studeerde aan het RITS te Brussel, en stichtte de experimentele groep “Akt”, die na enkele jaren fuseerde met het Gentse “Vertikaal”, dat op zijn beurt samen met “De witte Kraai” fuseerde tot “De Tijd” (1987). Na samen met Lucas Vandervost gedurende enkele jaren deze theatergroep geleid tehebben,werdhijartistiekleidervanhet“ZuidelijkToneelGlobe”(Eindhoven) en in 1999 werd hij bovendien artistiek directeur van het “Holland Festival”.

De productie “Wonderen der Mensheid” werd in 1985 gespeeld op de Biënnale van Venetië. Regelmatig werden zijn ensceneringen gekozen voor het Nederlands-Vlaams Theaterfestival. Voor zijn regie van “Macbeth” bij De Tijd kreeg hij in 1981 de Jan-Oscar De Gruyterprijs . In januari 2001 verliet hij het Zuidelijk Toneel om de leiding van “Toneelgroep Amsterdam” op zich te nemen. Als regisseur werkt hij nauw samen met de scenograaf Jan Versweyveld (*1958). Bij zijn ensceneringen is hij steeds opnieuw op zoek naar nieuwe vormen, zonder het inhoudelijke aspect van de voorstelling uit het oog te verliezen.

In 1985 werd hij door Dora Van der Groen aangezocht om lessen speltraining te geven aan de theateropleiding van het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen.

TOON BROUWERS

Toon Brouwers (*1943) werd doctor in de rechten aan de Universiteit Leuven, studeerde een jaar Theaterwetenschap aan de universiteit te Wenen, en werd licentiaat drama en theater aan de Universiteit Gent. Hij voltooide een acteursopleiding aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, en bekwaamde zich middels diverse seminaries in het buitenland in de dramaturgie. Van 1970 tot 1991 was hij dramaturg bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen. Hij was medestichter van diverse theaters en theaterorganisaties, onder meer van het “Nieuw Vlaams Theater” en het “Raamtheater” te Antwerpen, en van het Vlaams Theater Instituut te Brussel.

Brouwers was leraar geschiedenis van de dramatische kunst aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel, en van 1991 tot aan de fusie van de hogescholen in 1995 directeurvandeStudioHermanTeirlinck.NadienwerdhijhoogleraaraandeHogeschool Antwerpen. Hij gaf gastcolleges over het theater in Vlaanderen aan diverse universiteiten en hogescholen, in binnenen buitenland. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het Theaterjaarboek en van het maandblad “De Scène”, publiceerde een aantal dichtbundels, enkele theaterteksten, en vele artikels en essays over diverse theateronderwerpen. Van 1999 tot 2002 was hij voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen.

47

JAN DECLEIR

Jan Decleir (*1946) volgde de toneelopleiding aan de Studio van het Nationaal Toneel, waar hij in 1967 - het jaar van Teirlincks dood - afstudeerde. Hij speelde enkele jaren bij het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen, en van de Internationale Nieuwe Scène, waar hij schitterde in onder meer “Mistero Buffo” van Dario Fo. Hij trad ook jarenlang met veel succes op in soloprogramma’s van deze Italiaanse Nobelprijswinnaar: “Obscene fabels”, en “De Tijger en andere verhalen”, waarmee hij Vlaanderen en Nederland rondreisde. Ook bij de Blauwe Maandag Compagnie was hij actief, met onder meer een monumentale prestatie als Antonius in “All for Love” (Barnard, naar Dryden).

Hij werd ook een van de meest succesvolle en geprofileerde Vlaamse filmacteurs, met markante vertolkingen zoals Lander in “Mira” (1972 naar Streuvels), Renier in “Rolande met de Bles” (1972, naar Teirlinck), en Jan in “De Loteling” (1973, naar Conscience). In 1992 behaalde hij met de vertolking van de titelrol in de langspeelfilm “Daens” (een film van Stijn Coninx, die een Oscarnominatie

kreeg) een wereldwijd succes. In de jaren ’90 was hij een der voornaamste speldocenten van de Studio Herman Teirlinck, waar hij van 1991

tot 2001 artistiek leider en artistiek adviseur was. Hij werd meermaals gelauwerd, op internationale filmfestivals als “beste acteur”, en in Vlaanderen onder meer met de Prosceniumprijs (1984), de Louis Paul Boon-prijs (1987), de Pallieterprijs (1993, voor “Daens”) en de Thersites-prijs (1993).

JOHAN VAN ASSCHE

Johan Van Assche (*1956) kreeg zijn theateropleiding bij Dora Van der Groen aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen. Samen met Sam Bogaerts en Lucas Vandervost was hij één van de medeoprichters van “Het gezelschap van de Witte Kraai” te Antwerpen. In 1987 werd hij zakelijk directeur en acteur bij het fusiegezelschap “De Tijd” te Antwerpen. Hij trad ook regelmatig op als gastacteur bij het Zuidelijk Toneel Eindhoven, onder de directie van Ivo Van Hove. Als regisseur ensceneerde hij bij De Tijd onder meer “Groot en Klein” (Strauss, 1993), “Agatha” (Duras, 1995), “Bérénice” (Racine, 1998), en “Het Bal van de Pompiers”(Frisch, 2001).

In 1982 werd hij op vraag van Dora Van der Groen lesgever toneel, bij de theateropleiding van het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen. In 1995 werd hij coördinator van deze opleiding, en in 2001 werd hij directeur van het Herman Teirlinck Instituut,

de koepel van de theateropleidingen in de schoot van het departement “dramatische kunst, muziek en dans” van de Hogeschool Antwerpen.

48

MARC DEBISSCHOP

Marc Debisschop (*1960) studeerde wiskunde, volgde een toneelopleiding aan de Toneelacademie te Maastricht, en studeerde theaterwetenschap te Antwerpen. Sedert 1991 werkte hij onder meer voor Nova Zembla (Antwerpen), Het Huis van Bourgondië (Maastricht) en Frascati (Amsterdam). In 1996 was hij oprichter van het gezelschap “’t Spil Kollektief”,

dat in 2000 opging in het gezelschap “De gebroeders Boudewijn”, waarvan hij artistiek leider en huisregisseur is. In 2000 werd hij artistiek en pedagogisch coördinator van de Toneelklas Studio van het Herman Teirlinck Instituut.

MARLEEN VERTONGEN

Marleen Vertongen (*1961) studeerde voordracht en welsprekendheid aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen, waar ze in 1990 een “eerste prijs” behaalde, en in 2000 een meestergraad woordkunst. Zij speelde onder meer bij het Figurentheater Froe Froe (“Roodkapje”, in een regie van Jan Maillard, dat een tournee maakte in België, Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland) en gaf les aan diverse academies voor muziek en woord, en aan de Kunsthumaniora te Antwerpen.

MANOU KERSTING

Manou Kersting (*1962) volgde les aan de Studio Herman Teirlinck, en bij de toneelopleiding van Dora Van der Groen te Antwerpen. Samen met Chiel Van Berkel startte hij in 1991 “WACKO”, waarmee hij met veel succes een serie absurd-hilarische producties realiseerde. In 1999 was hij medestichter van “De Factorie”. Hij speelde en regisseerde bij diversegezelschappen,ondermeerHetPaleis,HetToneelhuis,DeTijdenDeVoorziening, en is artistiek leider van het gezelschap Podium Modern.

49

JAN VAN LOOY

Jan Van Looy (*1958) studeerde muziek aan het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen waar hij onder meer een eerste prijs notenleer en het getuigschrift pedagogie behaalde. Benevens piano speelt hij ook nog accordeon, synthesizer, gitaar en percussie.

Hij trad veelvuldig op als begeleider van kleinkunst artiesten, en componeerde onder meer voor Ingeborg, Stef Bos, Erik Goossens, Will Ferdy, David Dermez, Hugo Matthijsen, Marijke Boon en Patricia Beyssens. Hij werkte ook mee aan vele televisieopnames.

Hij was leraar muzikale opvoeding aan diverse muziekscholen, en in 1984 werd hij pianist-begeleider aan de Studio Herman Teirlinck, waar hij nadien ook nog notenleer en piano gaf, en vele kleinkunstproducties muzikaal begeleidde. In september 2002 werd hij medecoördinator en lid van het artistiek team van de optie “kleinkunst” aan het Herman Teirlinck Instituut.

PATRICIA BEYSENS

Patricia Beysens (*1956) geboren te Rotterdam, woont en werkt sinds 1974 in België. Als vocaliste, instrumentaliste (o.a. bastuba, flügelhorn) en schilderes is ze autodidacte. Ze is muzikaal veelzijdig en werkte met groepen in zeer uiteenlopende genres: middeleeuwseen renaissanceliederen, Indische muziek, ragtime, New Orleans-, mainstreamen moderne jazz, geïmproviseerde muziek en fusion, blaasensembles, Nederlandstalige liederen, joodse muziek (klezmer en sefardische liederen) en bovenal: het Duitse chanson.

Zij werkte mee in muziektheaterproducties van Theater Arena en Muziek LOD en musiceerde en zong in combinatie met dansvoorstellingen. Zij schrijft ook liedteksten (Nederlandstalig en Engelstalig) en heeft verscheidene LP’s en CD’s op haar naam. Ze

gaf7jaarzanglesindeJazzstudioinAntwerpenendoceertsinds1992inhetHermanTeirlinckInstituut,waarze in september 2002 ook mede-coördinator werd van de optie kleinkunst.

50

51

Afkortingen

AMVC: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (Antwerpen) BRT: Belgische Radio en Televisie HIDK: Hoger Instituut voor Dramatische Kunst (Studio Herman Teirlinck) HTI: Herman Teirlinck Instituut

ITI: Internationaal Theater Instituut, International Theatre Institute KNS: Koninklijke Nederlandse Schouwburg (Antwerpen) KVC en KVCA: Koninklijk Vlaams Conservatorium (Antwerpen) KVS: Koninklijke Vlaamse Schouwburg (Brussel)

NTG: Nederlands Toneel Gent SHT: Studio Herman Teirlinck TS: Toneelklas Studio TDVDG: Toneelklas Dora Van der Groen VRT: Vlaamse Radio en Televsie

VTI: Vlaams Theater Instituut (Brussel)

De biografische gegevens zijn onder meer gebaseerd op:

Archief van het Herman Teirlinck Instituut, Antwerpen Archief van het Koninklijk Vlaams Conservatorium, Antwerpen Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC), Antwerpen Archief van het Vlaams Theater Instituut, Brussel Nationaal Biografisch Woordenboek. Brussel: Paleis der Academiën, 1964 (e.v.) Wie is dat in Vlaanderen? Brussel-Amsterdam: Elsevier, 1953 Wie is wie in Vlaanderen. Brussel: Cegos Makrotest, 1980 (e.v.) Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie Curriculum vitae van de betrokkenen

52

voetnoten

1De acteur en schilder Johannes Jelgerhuis (in 1804 aan de Schouwburg te Amsterdam verbonden als karakterspeler) beschreef en tekende in zijn boek “Theoretische lessen in de gesticulatie en mimiek” (Amsterdam, (1827) nauwkeurig de houdingen en gelaatsuitdrukkingen die bij elk gevoel paste.

2 Pas in 1967 werd de instelling gesplitst in een Franstalig Conservatoire Royal en een Nederlandstalig Koninklijk Conservatorium.

3 Emmanuel Hiel (1834-1899) was een vooraanstaande figuur in het Vlaamse leven te Brussel, en een belangrijk dichter vóór “Van Nu en Straks”. Hij schreef lyrische en dramatische gedichten, en teksten voor liederen, cantaten en oratoria onder meer voor “Lucifer” en “De Schelde” die door Peter Benoit werden getoonzet.

4 Cfr. Maurits Sabbe, Lode Monteyne en Hendrik Coopman: Het Vlaamsch Tooneel. Brussel: J. Colassin & Co, 1927 (blz. 225).

5 Jan-Frans Willems (1793-1846): auteur, literatuur-historicus en polemist, die als de “vader” van de Vlaamse beweging wordt beschouwd. Vóór 1830 leefde en werkte hij te Antwerpen, waar hij adjunct-archivaris van de Stad werd en in 1921 ontvanger van de registratie. Bekend is zijn “Verhandeling over de Nederduytsche taelen letterkunde (1819-1824). Hij schreef ook gedichten en toneelspelen in de stijl van het postclassicisme, vermengd met romantische elementen. Na de Belgische revolutie werd hij naar Eeklo verplaatst, en in 1835 tot ontvanger van de registratie benoemd te Gent. Hij was autodidact, maar verrichtte belangrijke filologische en wetenschappelijke arbeid. In de zogenaamde “spellingoorlog” gaf hij de doorslag tot het tot stand komen van de éénheid van spelling in de Nederlanden. Het “Willemsfonds” werd naar hem genoemd.

6 Cfr. dr. A. Corbet: Het Koninklijk Vlaamsch Conservatorium. Antwerpen: Dienst voor Propaganda en Toerisme, 1941.

7 Meer info over Vlaamse acteurs en actrices uit het verleden, is te vinden in: Lode Monteyne en Willy De Schutter: KNS- Profielen. Acteursportretten 1853-1953. Antwerpen: KNS, 1979.

8 Edward Van Bergen: Ons Tooneel. Losse Gedachten. Antwerpen: Kockx & Co, 1884 (p. 21 e.v.)

9 H. Arthur Cornette sr. (1852-1907) studeerde een tijdlang voor ingenieur aan de universiteit te Gent en was lid van het liberaal studentengenootschap “’t Zal wel gaan”. Hij toonde veel belangstelling voor de literatuur en de Vlaamse ontvoogding, en wijdde zich spoedig aan de politieke en de literatuur. In 1880 werd hij leraar aan de normaalschool te Antwerpen, in 1888 leraar Nederlandse literatuurgeschiedenis aan de muziekschool van Peter Benoit, en in 1898 aan het KVC. Van 1880 af zetelde hij voor de Vlaamse liberalen ‘de (“Geuzenpartij”) in de Antwerpse provincieraad. In 1888 stichtte hij de Vlaamse vrijmetselaarsloge “Marnix van St.-Aldegonde te Antwerpen. In 1896 was hij oprichter van de “Zuid-Nederlandse Toneelbond”. Hij was een felle verdediger van de vrijheid van denken en van de vrije meningsuiting, en zette zich in voor de “Vlaamse volksverheffing”.

10 Cfr. ook: dr. Carlos Tindemans: “Het Nederlandsch Tooneelverbond. Een mislukt eksperiment in Nederlandse toneelsamenwerking” in: Ons Erfdeel, 1972, 15de jg. nr. 5, blz. 41 e.v.

53

11 Volgens zijn leerling en latere opvolger Modest Lauwerijs hield hij vooral van Jan Van Beers en Hendrik Tollens en was de beweging van ’80 aan hem voorbij gegaan. Cfr. Het script van de televisie-uitzending van de BRT “Ten huize van (realisator: Prof. J. Florquin, 04.07.1962). Ger Schmook vermeldt in zijn gedenkschriften: Stap voor Stap langs kronkelwegen (Antwerpen/Amsterdam: De Nederlandsche Boekhandel, 1976) blz. 462 e.v. een aardige anekdote in verband met nagelaten documenten van en over F. Jos Van den Branden

12 De Toneelschool was geen initiatief van Jan-Oscar de Gruyter maar van enkele vooraanstaande Gentenaars, die een comité hadden gevormd met het doel de oprichting van een toneelschool te stimuleren. Op 12 maart 1911 werd de “Maatschappij ter aanmoediging der Vlaamse Toneelspeelkunst” gesticht, om het beheer en het toezicht van de toneelschool waar te nemen. De Gruyter werd de eerste artistieke leider, en het Gentse stadsbestuur stelde een gebouw ter beschikking. In oktober 1911 ging De Toneelschool (later Koninklijke Toneelschool) van start. Ze bestond van 1911 tot 1959. De verdiensten van deze school zijn niet gering. Zo lagen een aantal leerlingen en oud-leerlingen van deze Toneelschool aan de basis van Toneelstudio ’50, het latere Arca Theater te Gent. Cfr. Rik Lanckrock: Toneelstudio ’50 en Arcateater. Brandpunt en Uitstraling. Gent: Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 1976.

13 In de televisie-uitzending van de BRT “Ten Huize Van” (realisatie: Prof. J. Florquin) van 04.07.1962.

14 Ger Schmook noemt in: Stap voor Stap langs kronkelwegen (Antwerpen/Amsterdam: De Nederlandsche Boekhandel, 1976) blz. 580 Modest Lauwerijs een “zeer op etiket gestelde “heer”, voornaam gekleed, en ten zeerste op prestige gesteld”. Maar “Al met al: toch een fijne man”.

15 Onder meer Jan Brouwers, vader van ondergetekende, en Luc Philips en Jet Naessens, leraars aan het KVC en latere collega’s van ondergetekende in het gezelschap van de KNS.

16 Ook buiten Antwerpen werd er opgetreden: Philips vertelde aan ondergetekende over een optreden van “111” in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel, op tekst van de Middelnederlandse ballade van “Heer Halewyn”, met medewerking van de uit Rusland afkomstige balletdanseres Valentina Belowa (werkzaam bij het ballet van de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen).

17 Aldus Luc Philips, in een gesprek met ondergetekende op 17.09.1997. In de (geromantiseerde) biografie van Jean-Pierre De Lamper: Luc Philips. Een mens met duizend levens (Antwerpen: Standaard Uitgeverij 1990) lees ik op blz. 31 dat het om een zolder boven een kolenmagazijn in de Erasmusstraat te Borgerhout zou gaan.

18 Pas met de decreten van 1991 en 1994 over de hervorming van het Hoger Onderwijs werd er door de Vlaamse wetgever opnieuw meer aandacht besteed aan de algemene vorming, en werden de competitiewedstrijden met eerste en tweede prijzen opnieuw vervangen worden door diploma-examens

19 Lode Monteyne: Pleidooi voor de alzijdige en harmonische vorming van den tooneelkunstenaar. Verslagen en Mededelingen, Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taalen Letterkunde, november 1938. Ledeberg/Gent: Erasmus Drukkerij, 1938.

20 In 1940 kwam er een uitbreiding van het lessenpakket van de “algemene vorming”, met onder meer: Geschiedenis van de Regie (Roels), Dramatische Analyse (Monteyne) en Cultuurgeschiedenis (Corbet). Cfr. Dr. A. Corbet: De toneelafdeling van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. In : Antwerpen, Tijdschrift der Stad Antwerpen, 10de jg. Nr. 1, p. 47.

54

21 Onder meer Jan Brouwers, en ook Luc Philips in een gesprek met ondergetekende op 17.09.1997.

22 Odile Daem (1901-1956), leider van REX-Vlaanderen, schepen voor schone kunsten van de gemeente Berchem en in 1942 schepen voor schone kunsten van de fusiestad Antwerpen, werd na de oorlog wegens collaboratie veroordeeld tot levenslange hechtenis.

23 Tijdens het tweede seizoen van dit Conservatorium-Tooneel sprak Diels op 14.10.1941 over de Duitse toneelauteur Ch. F. Hebbel. Cfr. Uitnodigingskaart, dossier JD, AMVC D 4252.

24 Door de Krijgsraad was Joris Diels op 29.10.1947 bij verstek veroordeeld tot 15 jaar buitengewone hechtenis. Op 30.08.1948 werd hij evenwel door de Krijgsraad vrijgesproken. Het vonnis is verschenen in het Rechtskundig Weekblad van 05.12.1948 (12de jg. nr. 12, blz. 373-379)

25 Het werk van Teirlinck is o.m. gepubliceerd als: Verzameld Werk Herman Teirlinck. Brussel: Manteau, 1955-1973. Jaak Van Schoor schreef “De Toneelloopbaan van Herman Teirlinck”, (s.l.) De Vlaamse Gids, 1967, nr. 3-4. Hij schreef ook een doctoraatsverhandeling over Teirlinck: Jacques Willy Van Schoor: Herman Teirlinck en het Toneel. Amsterdam, 1974, en de monografie Herman Teirlinck, Brussel: Vlaams Theater Instituut, 1997 (reeks: Kritisch Theater Lexicon). Een boeiende introductie op het leven en het werk van Teirlinck is: Clement Caremans: Herman Teirlinck Breviarium. Antwerpen: Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven, 1997.

26 Herman Teirlinck (1897-1968) was aan het Brusselse Koninklijk Conservatorium leraar-toneel van 1933 tot 1944.

27 De toenmalige minister van onderwijs, de Waal Xavier Buisseret, had een adviescommissie geïnstalleerd om voorstellen betreffende een theatersubsidiëring uit te werken. De commissie had als voorzitter Julien Cuypers, secretaris-generaal van het ministerie van onderwijs, en Jules Delacre (Franstalig) en Herman Teirlinck (Nederlandstalig) als leden. Herman Teirlinck (1879-1968) was ook privé adviseur geweest voor culturele aangelegenheden van Koning Albert, en (sedert 1911) leraar- Nederlands van diens kinderen, de prinsen Leopold (later Koning Leopold III) en Karel (later Prins-Regent). In het milieu van het koninklijk hof en van de invloedrijke Belgische politici heeft hij tot op hoge leeftijd veel aanzien en invloed gehad.

28 Bij het Regentsbesluit van 19 september 1945 (Belgisch Staatsblad 01.11.1945) werd er een “Nationaal Toneel van België” ingesteld dat uit twee afdelingen zou bestaan, met name een Franstalige en een Nederlandstalige. De opdracht voor de Nederlandstalige afdeling werd toegewezen aan de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen (toen onder de directie van Vic. de Ruyter). De taak van het Nationaal Toneel was enerzijds het “inrichten van hoogstaande kunstopvoeringen”, en anderzijds de “maatschappelijke stand en de beroepsontwikkeling van de toneelspelers bevorderen”. De opdracht voor de Franstalige vleugel werd toevertrouwd aan “Les Comédiens routiers” onder leiding van Jacques en Maurice Huisman.

29 De Studio (aanvankelijk “Studiotheater” genoemd) werd gesticht op 1 juli 1946, de lessen liepen parallel met het theaterseizoen, dat op 1 augustus startte.

30 Vandaag het gerestaureerde “Rubenianum”.

31 Alain, pseudoniem van Emile Auguste Chartier: in de jaren na de eerste wereldoorlog samen met Bergson één der meest bekende Franse filosofen. In “Entretiens au bord de la mer” (1931) liet hij vier personages met elkaar filosoferen over de vluchtigheid van alle dingen. Ook Teirlinck schreef zijn beschouwingen over het theater graag in de deze pseudo-dialoog-

55

vorm (cfr. Dramatisch Peripatetikon). 32 Herman Teirlinck: Dramatisch Peripatetikon. Antwerpen: Ontwikkeling, 1959.

33 Lea Daan (1906-1995) bleef tot op hoge leeftijd les geven in bewegingsleer. Op woensdag 27 oktober 1976 werd zij ter gelegenheid van haar zeventigste verjaardag gehuldigd in de lokalen van het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst. De gelegenheidsrede “Bewegingsonderricht voor toekomstige toneelspelers” werd gehouden door Tone Brulin, oud-student van en lesgever aan de Studio. Bij deze gelegenheid werd haar het huldealbum Lea Daan, samengesteld door Roger Avermaete (uitgave ESCO, Antwerpen) overhandigd.

34 Rudolf von Laban (Bratislava 1879-London 1958) was danser, choreograaf, danspedagoog en -theoreticus. Hij stichtte verscheidene dansof bewegingsscholen, onder meer te München en Würzburg, en na 1938 samen met Kurt Joos in Engeland.

35 In 1965 bedroeg deze maandelijkse werkbeurs 3.000 BEF. Omgerekend naar 2002 zou dit ca 25.000 BEF bedragen, of ca. 620,00. Teirlinck kreeg voor zijn lessen de eerste jaren van de Studio slechts 1000,- BEF per maand, omgerekend 25,00 .

36 Cfr. Toon Brouwers: Van Zonnebloem tot Jeugdtheater. Jeugdtoneel te Antwerpen 1940-1945. Antwerpen: HIDK, 1995.

37 In 1950 mocht Engelen in de KNS “Trijntje Cornelis” van Huygens regisseren, een stuk dat hij op voorstel van Herman Teirlinck reeds in de Studio als werkvoorstelling met de studenten had ingestudeerd. In 1952 kreeg hij, naast zijn opdracht als Studio-leider, in het KNS-NT-gezelschap opnieuw een vast engagement als regisseur.

38 De opvoeringen werden beperkt tot een 20-tal, om de afwerking van het normale opleidingsschema te kunnen garanderen. (Hoewel sommige jaren wel het dubbel aantal voorstellingen werd gespeeld.) Bij de voorstellingen die voor scholieren en studenten werden gegeven, werden er uitgebreide documentatiemappen ter beschikking gesteld. De Studio bleef deze reisvoorstellingen organiseren, tot het Hoger Instituut voor Dramatische kunst in 1970 kon beschikken over een eigen oefenzaal.

39 Tijdens het schooljaar 1960-61 (het laatste jaar van Fred Engelen) werden er 21 voorstellingen gegeven van het volgende repertoire: “Het wederzijds Huwelijksbedrog” (Langendijk), “Het belang van Ernst” (Wilde), “Molière-avond”, “Agamemnoon” (Hensen). Cfr. de brochure Studio Nationaal Toneel. Antwerpen: s.e., (1965).

40 Cfr. de brochure: Het Nederlands Kamertoneel van het Theater op Zolder. Antwerpen: s.e., 1954. 41 Cfr. Alfons Goris: “Fred Engelen ter Ere”. In: De Scène, 3de jg. nr. 2, oktober 1961.

42 In 1965 ging te Gent een nieuw beroepstoneelgezelschap van start onder de naam Nederlands Toneel-Gent, en werd de taak van Nationaal Toneel gespreid over de drie beroepstheaters van Antwerpen (KNS), Brussel (KVS) en Gent (NTG). In 1967 werd het Nationaal Toneel de facto opgeheven.

43 Cfr. A. Goris: Over de opleiding van de tonelist. S.l.: Studio-Nationaal Toneel (1966). 44 Zie Alfons Goris: ( Herman Teirlinck en de Toneelopleiding in Vlaanderen). In: Ons Erfdeel, 1992, 35ste jaargang, nr. 5, blz.

56

675-690. En ook: Alfons Goris: Het toneelonderricht in Vlaanderen (1860-1987). In: De Vlaamse Gids, mei-juni 1987 (nr. 3), blz. 10-18.

45 François Beukelaers in De Vlaamse Elsevier, 08.04.1973. 46 François Beukelaers in Het Laatste Nieuws (Bijlage “Jong”), 15.01.1969. 47 Cfr. Hugo Meert in Het Volk, 31.10.1980 48 Cfr. De Scène, 25ste jg., januari 1984, blz. 7.

49 De overeenkomst kwam tot stand na een vergadering op het Kabinet van de minister van cultuur Mevr. Rika De Backer, op 7 juli 1976. Kabinetschef Johan Fleerackers zat de vergadering voor, die bestond uit directeur Alfons Goris, een afgevaardigde van de commissie van toezicht van het HIDK, afgevaardigden van de studenten en de docenten, en een lid van de administratie “Dienst voor Kunstonderwijs”.

50 Op zaterdag 25 oktober 1986 werd, onder de hoge bescherming van Koningin Fabiola, niet alleen veertig jaar Studio gevierd (Studio Nationaal Toneel 1946-1966, Studio Herman Teirlinck 1966-1986) maar tevens: Andries Kinsbergen, gouverneur van de Provincie Antwerpen, twintig jaar voorzitter van de Commissie van Toezicht; de Afdeling Kleinkunst bestaat 15 jaar; Lea Daan, docente bewegingsleer 1946-1978, wordt tachtig; en Alfons Goris leidt de Studio 25 jaar. De feestcommissie bestond uit Marina Candael, Jef Burm, Ward de Ravet en Jaak van Schoor. Op de feestviering waren er toespraken voorzien van gouverneur Andries Kinsbergen (voorzitter van de commissie van toezicht), Jef Burm over “De Studio veertig jaar geleden”, Roger Avermaete over “Lea Daan Tachtig”, Alfons Goris over “Hoe wordt de kleinkunst stilaan groot?”, Jan Kerremans, afgevaardigde van Patrick Dewael (gemeenschapsminister voor cultuur) en Jan de Groof, kabinetschef van Theo Kelchtermans (gemeenschapsminister voor onderwijs). Vele aanwezige personaliteiten uit de culturele en politieke wereld spraken “huldeadressen” uit. De Studiostudenten zorgden voor een kleine happening, waarbij ze hun directeur een nietgeplande warme hulde brachten met een gelegenheidsgedicht, en een grote witte teddybeer als symbool voor “een zachte beer die gromt”. Als illustratie van de kwaliteit van de Studio-opleiding gaven de studenten een demonstratie van hun lichamelijke vaardigheden met “Sabels en Tamboers” onder leiding van Rudi Delhem en Rudi Verspaendonck, en van hun spelkwaliteiten met “De klucht van Tielebuis”, een tekst die door de rederijkers van De Leliebloem was gespeeld in 1541, op een rederijkersfeest te Diest. De hertaling en de regie was van Alfons Goris. Dezelfde dag werd er in de lokalen van de Studio een grote overzichtstentoonstelling geopend onder de titel “Uit de oude Doos”, met vele foto’s, maquettes, ontwerpen en documenten uit de voorbije geschiedenis. ’s Avonds ging de première van “Stella”, een stuk voor verliefden van Goethe, in een regie van Jean-Claude Berutti.

51 De “eerste steen” was gelegd op 03 februari 1964, de plechtige inwijding vond plaats op 21 maart 1968. 52 Lees de geschiedenis van het NVT in: Nieuw Vlaams Teater. Voor een eigen dramaturgie. Antwerpen: (NVT), 1983.

53 De delegatie bestond uit de toneelen voordrachtstudenten Toon Brouwers, voorzitter van de studentenraad Scherzo 1968-69, en Hadewich van der Straeten, voorzitter 1969-70.

54 Eigen interview. Zie ook: Roelof Naarding: ( Dora Van der Groen. Drijven op golven van onmogelijkheid) . In: Ons Erfdeel, 36ste jg., 1993, nr. “ (blz. 215 e.v.)

55 De paragrafen over de directie van Toon Brouwers (1991-1995), werden geredigeerd door Jacques Peeters, die de werking

57

van de Studio in de jaren ’90 van nabij volgde, eerst als kabinetsmedewerker van de Vlaamse minister van onderwijs Luc Van den Bossche, later als directeur onderwijs, onderzoek en academische planning, en sedert 2003 als algemeen directeur van de Hogeschool Antwerpen.

56 Cfr. Jan Decleir: “Uit liefde voor het vak”, in: Open venster-Open deur. Jaarboek 1991-1992. Antwerpen: HIDK, 1992, blz. 19 e.v.

57 Net zoals bij de “Blauwe Maandag Compagnie”, cfr. Luk Perceval: Accidenten. Een inleiding tot Repetitie/1. Antwerpen (Blauwe Maandag Compagnie), 1992

58 De volgende decreten van de Vlaamse Raad zijn de belangrijkste: - Het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de Hogescholen in de Vlaamse gemeenschap, of het zogenaamde “HOLT- decreet”, waarbij de opleiding “dramatische kunst” gerangschikt werd bij het hoger onderwijs van het lange type (HOLT) en “van academisch niveau”, met een studieduur van vier jaar. - Het decreet van 13 juli 1994 betreffende de Hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, of het zogenaamde “HOBU- decreet”, waarbij de hogescholen die hoger onderwijs buiten de universiteit organiseerden (HOBU) middels een nieuwe financiering werden aangespoord om te fuseren tot hogescholen met 3.000 of meer studenten. - Het bijzonder decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO), waarbij de ARGO-hogescholen uit het ARGO-net konden worden losgemaakt, om over te stappen naar fusiehogescholen. - Het decreet goedgekeurd door de Vlaamse Raad op 6 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs, dat correcties op het decreet van 13 juli 1994 en overgangsmaatregelen voorziet voor de fusieoperaties. - Het bijzonder decreet goedgekeurd door de Vlaamse Raad op 6 april 1995 houdende wijziging van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, zoals gewijzigd door het bijzonder decreet van 13 juli 1994, met eveneens correcties en overgangsmaatregelen. Het basisdecreet van 13 juli 1994 werd nadien nog een aantal keer op diverse punten aangepast of gewijzigd.

59 Toon Brouwers: “Een voorzichtige Terugblik. Ten behoeve van het Pedagogisch College van de Studio, op 16 juni 1995”, in: Hard en Ziel. Jaarboek 1994-1995. Antwerpen: HIDK, 1995 (blz. 6-9).

60 Cfr. Toon Brouwers: “Herman Teirlinck, en de Studio vandaag”, in: Open venster-Open deur. Jaarboek 1991-1992. Antwerpen: HIDK, 1992 (blz. 15 e.v.).

61 Cfr. Herman Teirlinck: Dramatisch Peripatetikon. Antwerpen: Ontwikkeling, 1959.

62 De voormalige directeurs van fusiehogescholen werden ofwel (tijdelijk) departementshoofd, of kregen andere taken in de nieuwe Hogeschool Antwerpen.

63 Cfr. de volgende interviews in het weekblad “HUMO”: “Dora Van der Groen of de Kunst van het onderhoud” (nr. 2740, 11 maart 1993) en “HUMO sprak met Jan Decleir” (nr. 2784, 13 januari 1994).

64 Raad van Bestuur, Identificatienummer B820/47/22.05.2000. Agendapunt 12: onderwijsorganisatie opleiding drama.

65 Cfr. Herman Mariën: “De dramaopleidingen in Antwerpen. Een peripatetisch pleidooi”, in: Forum: 8ste jg. nr. 3 (januarifebruari 2001), blz. 21.

58

66 Cfr. Johan Van Assche: “Het Kind en het Badwater”, in: Courant, Berichtenblad van het Vlaams Theater Instituut. Brussel: VTI, mei-augustus 2000.

67 Ook Luk Perceval, oud-student van de toneelopleiding Dora Van der Groen, die in de jaren ‘90 herhaaldelijk speldocent was in de toneelopleiding Studio, hield een pleidooi in deze zin, cfr.: “Een solidariteitsfonds voor de opleidingen.” In: Contact, Berichtenblad van het Vlaams Theater Instituut, maart-april 2001.

68 Vergadering op 27.03.2002 van de departementsraad “dramatische kunst, muziek en dans”, VDRD-10/70/27.03.02.

Ann Swartenbroeck, Fried’l Lesage, Albrecht Wauters en Cathérine Vandoorne in een productie van de afdeling woordkunst 1991

59

Dimitri Leue, TDVDG, 1997

Herman Teirlinck Instituut

DOCENTEN 2002 - 2003

60

Ludo ABICHT Eddy AELBRECHT Yella ARNOUTS Kristin ARRAS Will BECKERS Eddy BECQUART Patricia BEYSENS An BLOCK Marjet BOEK Stef BOS Kristina BRONSELAER Toon BROUWERS Luc CELIS Brian CLIFTON Stijn COLE Meirav DAHAN David DAVIDSE Marc DEBISSCHOP Brick DEBOIS Reinhilde DECLEIR Carine DE CLERCQ Matthias DE CONINCK Bob DE GROOF Eva DE HONDT Tom DE KET Sara DE ROO Bram DE SUTTER Tom DEWISPELAERE Thomas DEVENS Els DOTTERMANS Steve DUGARDIN Chris DUSAUCHOIT Bert EMBRECHTS

Tine EMBRECHTS Pieter EMBRECHTS Siti FAUZIAH Frank FOCKETYN Jan-Peter GERRITS Elise GOETHALS Kristien HEMMERECHTS Guido HENDERICKX Herwig ILEGEMS

Erwin JANS Birgit KERSBERGEN Manou KERSTING Bart KIENE Hilde KORTHOUDT Jaap KRUITHOF Caro LAMBERT Rosemie LAUWERS Emmy LEEMANS Anne LEPERE Anik LESAGE Ernst LÖW Anna LUYTEN Sabine MAHIEU Alex MALLEMS Victor MEES Bart MEULEMAN Stan MILBOU Bart MOEYAERT Eric OGER Peter OSKAM Chantal PATTYN Dirk PEETERS Guy POPPE

Gert PORTAEL Vincent ROUFFAER Fien SABBE Annemie SEGERS Roland SERPIETERS Karlijn SILEGHEM Koen TACHELET Johan THIELEMANS Magda THIELEMANS Ilse UITTERLINDEN Johan VAN ASSCHE Chiel VAN BERKEL Rik VAN DAELE Peter VAN DEN EEDE Bart VAN DEN EYNDE Dora VAN DER GROEN Geert VAN EECKHOUT Jef VAN GINDEREN Frank VAN HOECK Inge VAN HOYDONCK Peter VAN KRAAIJ - Wigbert VAN LIERDE Bart VAN LOO Jan VAN LOOY Ben VAN OSTADE Lucas VANDERVOST Stoffel VERLACKT Mark VERSTRAETE Marleen VERTONGEN Rita WOUTERS

61

Laureaten KCA Dramatische Kunst

1909 Modest Lauwereys Julia Mathis Peter Selens Theresia Venus

1910 Mina Daniëls Maria Stas Bertha Verswyver

1911 Germaine Loosveldt Jozef Verlinden

1912 Jan Van de Velde Clementina De Mulder

1913 Antonia Albrecht Emiel Anthoni Karel De Heyder Constancia Raps

1914 Jan Cammans

1916 Victorina Braes Anna Robben

1917 Francisca Ruytjens Maria Van Oosten

Frans Van Roey

1918 Hendrik Ballegeer

1919 Remi Angenot Gabriëlla Van Oorbeek Johanna Van Rijn Free (Frederik) Waeles

1920 Mia Dillen Hippoliet Mortelmans Hendrik Velleman

1921 Edward (Mathieu) Gorlé Jenny Van Santvoort Ida Wasserman

1922 Jan De Roover Johanna Knops Emiel Maenhout Elisa Van Camp

1923 Ida Dams Maria Latour Germaine Verbist

1924 Lode Geysen Flora Kok Gaston Van der Meulen

1925 Delphina Denys Louisa Spreutels

Julia Van Troyen Willem Cauwenbergh

1927 Frans De Roeck Greta Lens Corry Lievens (Isa Adriaens)

1928 Louisa Coppens Frans De Winter Frits Geuts Victor Collet

1929 Fons (Alfons) Derre Maria Vermaesen Yvonne Willems

1930 Marcel Hellemans Fanny Winkeler

1931 Margaretha De Braeckeleer Clemence Geys Lode Jansen Henrietta Krengel

1932 Juliette Coumans Magda De Groodt Theo Op de Beeck Pieter Rynsdorp Martha Van Gastel

1934 Maria Urbain Charlotta Vinnis Jozef Willekens

62

1935

Eerste prijzen

Irma De Leeuw Frans Van den Brande Huib (Hubert) Van Hellem

1936 Francine Lepage

1937 Angèle Delen Julia Kint Jet Naessens

1938 Stella Blanchart Hector Camerlynck Martha De Wachter Fred Engelen Jos Goetelen Luc Philips Frans Roggen

1939 Jozef Simons Johanna Snyers Lode Van Beek

1940 Yvonne Ego Leona Van den Heuvel

1941 Joris Collet Gustaaf Huyck Gilberte Van den Brande

1942 Chris (Kristiaan) Betz

Annie De Loenen Filip Smets Julius Van Camp

1943 Jet Adriaens Dom. De Gruyter Anton Peters Jaak Van Hombeek

1944 Joost Noydens Jozef Op de Beek

1947 Andrée Lombaerts Jozef Mahu Dora Van der Groen Gaston Weemaes

1949 Yvonne Colinet Diana De Laet

1950 Irène Vuylsteke

1951 Daniël Löwenstein

Simone Schellens

1952 Margaretha Bank

1953 Alice Bleys Roger De Paepe Nora Sneyers Robert Van Eekert

1954 Yolande Markey Mia Neeskens

1955 Jef Van Riet

1956 Liliane Raeymaeckers Betty (Elisabeth) Domus Simonne Ponteur

1958 Maria Bossers

1959 Alex Cassiers Marcel De Bie Stan Milbou Hilde Verluyten

1960 Elza Cauwe Jeannine Cools Jo Coppens Jacques De Haes Hilde Sacré Jeannine Schevernels Willy Slangen Jozef Steylaerts

1961 Yvonne Baekelmans Denise Zimmermann

1962 Eliane Andries Ann Leysen Godelieve Moorthamer Simone Peeters Magda Van den Broeck

63

1963 Christiane Bilsen Lucienne De Nutte Erik Maes

1964 Rik Andries Roger Bolders Gerda Lindekens Elza Van Audenrode

1965 Eddy Asselbergs Diana Marstboom

1966 Marilou Mermans Teresa Van der Hallen Jan Verbist Gil Vrijdaghs Herman Woumans

1967 Lieve Berens Wilfrieda Bruïenne Gabriël Van Landeghem Hugo Sigal (Verbraeken)

1968 Lou De Vel Lydia Jelijt Walter Merhottein Peter Strynckx Tony Van Loon

1969 Wil Beckers Claudia (Lutgarde) Calberson Ingeborg Mollet

1970 Toon Brouwers Diana Claes Frans Maas Walter Rits Netty Vangheel Annie Van Lier René Verheezen

1971 Herbert Flack Hans Royaards Max Schnur

1973 Danny Heylen Sonia Vinck

1974 Leslie De Gruyter Katrien Van Steenkiste

1975 Camilia Bléreau Jos Dom Sien Eggers Jaak Horckmans Bob Snijers

1976 Marc Schillemans Marc Steemans

1977 Peggy De Landtsheer Anke Helsen Dirk Lavrysen

1978 Warre Borgmans

64

Vic De Wachter Dimitri Dupont

1979 Luk Perceval Lucas Vandervost Johan Van Assche

1980 Ron Cornet

1982 Edgard Goossens

1983 Dirk Tanghe Bart Van Avermaet Karen Van Parys

1984 Wim Danckaert Chris Nietvelt Tania Van der Sanden

1986 Bart Slegers Frank Focketyn

1987 Bas Teeken Dirk Tuypens Peter Van den Eede

1989 Yolente De Keersmaeker Damiaan De Schrijver Waas Gramser Frank Vercruyssen

1991 Sara Deroo

Steven Van Watermeulen

1994

Meestergraad

Robby Cleiren Sara De Bosschere Luc Nuyens Tom Van Dijck

1995 Ben Verdonck

1997 Liesbet Jannes Dimitri Leue Robbert So Jorre Vandenbussche Yvonne Wiewel

1999 Elisabeth Adriaensen Maarten Claeyssens Jurgen Delnaet Bjinse Van der Zwaag

2000 Yves Degryse Valentijn Dhaenens Korneel Haemers Alwin Pulinckx Mathijs Scheepers Clara Van den Broeck

2001 Noémi Schlosser Alwin Puelinckx

2002 Jan Bollen

2003 Charlotte Caeckaert Sus Slaets Tom Ternest

HD: Hoger Diploma We geven de namen onder voorbehoud: ze werden genoteerd uit een met de hand geschreven register. Voor zover die ons bekend is, vermelden we de artiestennaam (de officiële naam volgt dan tussen haakjes)

65

Laureaten KVC Woordkunst

1919 Hendrik Schmitz

1921 Jan Timmermans

1922 Hendrik Bulterys Estella Malcorps

1923 Louisa Coppens Stephanie Faure Julia Vantroyen

1924 Karel Albert Danie Smal Hector Vermuyten

1926 Eva Grünblatt Gaston Hofman Julia Lichtenstein

1927 Hendrika Daems Jozef Van Schoeland

1928 Jan Dillens Gabriela Malcorps Maria Vermaesen

1929 Jules Mariën

1931 Theo Op de Beeck

1932 Philomena Bonaers Hubert De Bois Gabriella Struyf

1934 Germaine Ceunen Louisa Coppens Blanka Gyselen

1935 Irena Goethals Jozef Willekens

1936 Jan Brouwers Angèle Deelen Françine Lepage Jet Naessens Ernest Verbist

1937 Fred Engelen Luc Philips Frans Roggen Elisabeth Van Thillo Henrietta Van Dietvorst

1939 Jozef Goetelen Jos Simons Johanna Sneyers Lode Van Beeck

1940 Yvonne Ego Gustaaf Huyck Magda Smolders Leona Van de Heuvel Gilberte Van den Branden

1941 Annie De Loenen Hendrik Dockx Juul Van Camp

1942 Frank Zijs

1943 Joost Noydens Jozef Op de Beeck Irmina Smets Filip Smets

1946 Dora Van der Groen Margaretha Wolters Van der Wey Elvira Waegemans

1947 Ivonne Colinet Marcel Meeus Henriette Van Barel

1948 Herman De Bruyker Jeanne Geldof

1949 Odile De Schrijver Maria Layryssens Jozef Van Eetvelde André Waterschoot Lode Van Gool

66

1950 Diana De Laet Simone Schellens

1951 Yolande Markey Lutgarde Samyn

1952 Margaretha Bank Betty Pattyn Roger Roggen Ludo Smits

1953 Alice Bleys Nora Snyers Roxane Verschueren Robert Van Eekert Simone Schellens HD

1954 Mia Neeskens Paula Otten Cor Stedelinck (Urbain) Yolande Markey HD

1955 Margaretha Heylen Edmond Loopmans Maria Pas Emma Steurs Margaretha Bank HD Cor Stedelinck (Urbain) HD

1956 Lucretia De Mullie Hilde Heughebaert Simone Ponteur

Liliane Raeymaeckers Marcel Van Cleuvenbergen Denise Van de Sype Jef Van Riet

1958 Hilde Sacré Jozef Steylaerts

1959 Maria Bossers Maria Theresia Mols

1960 Marc Donckers Jacques De Haes Margaretha Empereur Stan Milbou Willy Slangen Jeannine Schevernels

1961 Elza Cauwe Lieve Suys Denise Zimmermann

1962 Mieke De Groote Godelieve Moorthamer Irène S’Jongers

Magda Van den Broeck

1963 Leonara Barten Jeannine Cools Lucienne De Nutte Erik Maes Bernadette Van Gosspel

1965 Christiane Bilsen Dédé Dalle Lutgart Van Ballaer Katelijne Van der Hallen

1966 Ria Bollen Claudia (Lutgarde) Calberson Rita De Bruyne Anne-Marie Douven Marilou Mermans Annelies Vaes Gil Vrijdaghs

1967 Lieve Berens Frieda Brugmans Wilfriede Bruienne Lydia Jelijt Nick Lemaire Jozef Van der Veken

1968 Louisa Beks Lou De Vel José Ghijsens Fina Janssens Walter Merhottein Peter Strynckx Marita Vandenplas Gemma Van Gastel Mia Van Roy

1969 Toon Brouwers Danny Callens Hugo Govaert Ingeborg Mollet Roland Ramaekers

67

Bruno Schevernels Godelieve Smet Nelly Van Assche Hadewich Van der Straeten Netty Vangheel

Francis Verdoodt

1970 Wil Beckers Walter Rits René Verheezen

1971 Agnes Erkelbout René Geldof Marie-Thérèse Ghijsens Fernand Van der Bauwede Hedwig Verbist

1972 Edward Baert Lieve Gebruers Gonnie Messagie Annie Poelmans Francine Van den Brandt Maria Vermeiren Toon Brouwers HD Hadewich Van der Straeten HD René Verheezen HD

1973 Mieke Felix Angèle Lambrechts Suzanne Saerens Katrien Vansteenkiste Sonia Vinck Herman Bogaert HD

1974 Eddy De Raedt

Margaretha Geyskens Marie-José Gilis

1975 Sien Eggers Godelieve Geens Fred Gesquière Anita Koninckx Robert Snijers Lieve Van Mileghem Hugo Van Rousselt

1976 Marie Moris Anna Melis Marc Schillemans Rosalind Veltman Francis Verdoodt HD

1977 Jos Geens Marie Stammen

1978 Michel Kempeners Marijke Renkens Catharina Reysen Maria Vandebos Viviane Van Stappen

1979 Beatrijs Borms Annemie Braem Mariane De Munck Ludo Ghoos Martine Verbeeck Marie Vermeiren HD

1980 Albert Caekelbergh

Christiane Torfs Mia Van Bueren

1981 Kristina Brouselaer Anna Gils

1982 Marie-Christine Ruttens Linda Van Mierlo Marleen Vermeir

1983 Dirk De Greef Anny De Vry Adrienne De Wachter Ann Michels Greta Minten Krista Philips

1984 Marijke Bleuckx Maria Van Huyck Linda Van Mierlo HD

1985 Anna Gils HD

1986 Diane Belmans Andrea Croonenberghs Marijke Dalle Anna Leysen

1987 Michiel Devlieger Rosemarie Lauwers Arlette Sterckx

68

1989 Marleen Vertongen Suzy Vanderbiesen Rosemarie Lauwers HD

1991 Fried’l Lesage Albrecht Wauters Cathérine Vandoorne

1992 Anja Daems Kim De Bruycker Francky Cools HD

1993 Katelijne Billet Pieter Mussche

1995 (Meestergraad) Els Calant Kim De Bruycker HD Marie Moris HD

1996 Libelia De Splenter Annelies De Wolf Bob Selderslaghs Kristien Vandermeulen

1997 Bruno De Lille Gitte (Birgit) Van Hoyweghen

1998 Eva De Hondt Sabine Mahieu Hella Rogiers

1999 Vanessa Broes Sara Vanderstappen

2000 Katelijne Billet Annelies Jacobs Marleen Vertongen

2001 Ellen Bernaerts Adrienne Dewachter Kristel Laheye Annemie Tweepenninckx Ophelia Van Keer Linda Van Mierlo

2002 Melissa Marien

2003

Nelle De Maeyer Anneleen Liegeois

HD: Hoger Diploma We geven de namen onder voorbehoud: ze werden genoteerd uit een met de hand geschreven register. Voor zover die ons bekend is, vermelden we de artiestennaam (de officiële naam volgt dan tussen haakjes)

69

Laureaten Studio Toneel

1948 Bert Struys

1949 Tone Brulin Jef Burm Roger Coorens Ward De Ravet Bertha Pauwels Ketty Van de Poel Dora Van der Groen Paul Van Roey

1950 Marc Leemans Andrée Lombaerts Lydia Bruggeman

1951 Denise De Weerdt Jeanne Geldof Dries Wieme Willy Vandermeulen

1952 Julien Schoenaerts Paul S’Jongers

1953 Etienne Debel Jo Dua Mimi Peetermans Ray Verhaeghe

1955 Jeanine Bernaus Mart Gevers Suzanne Juchtmans

1956 Bob Löwenstein Nora Sneyers Robert Van Eeckert Martin Van Zundert

1957 Wies Andersen Yolande Markey

1958 Julienne De Bruyn Alfons Goris Yvonne Mertens

1959 Leo Beyers Raymond Bossaerts Rik Hancké

1960 Lydia Billiet Karel Carolus Els Cornelissen Emmy Leemans Hilde Uitterlinden Jef Van Dyck

1961 Josée Bernaus Rik Gyles Marc Janssen Guido Maeremans Walter Tillemans Mieke Verheyden

1962 Marcel Debie Geert Lunskens Ivo Pauwels Arlette Ronsmans Bernard Verheyden

1963 Jo Coppens Dirk Decleir Simone Pierry

1964 Frank Aendenboom Fred Robion Rense Royaards Denise Zimmermann

1965 François Beukelaers Jo Delvaux Blanka Heirman Lieve Moorthamer Greta Van Langendonck Greta Verniers Veerle Wyffels Ralf Wingens

1966 Lucienne Denutte André Depauw

1967 Bert André Charles Cornette Jan Decleir Leo Madder Lisette Mertens Mike Verdrengh

1968

70

Marc Bober Hubert Damen Jan Pauwels Frieda Pittoors

1969 Joost Boer Karel Branckaerts Dirk De Battist Reinhilde Decleir Herman Fabri Stella Knaack Jochem Royaards Wim Scholiers Ronny Waterschoot

1970 Aimé Anthoni Martin Gyselinck Jan Jaap Jansen Eddy Spruyt Achiel Van Lerberghe Rik Van Uffelen

1971 Lutgarde Pairon Anne Peeters Viviane Redant Peter Strynckx Paul Wuyts

1972 Ronny Commissaris Geert De Jong Herman Gilis Noëlla Keymolen Guy Sonnen Roger Van Kerpel Marieke Van Leeuwen

1973 Liesbeth D’Hondt

Lucas Dietens Ludo Leroy Rita Wouters

1974 Serge Adriaenssens Jacky Beks Johan Leysen Erik Verschueren Karel Vingerhoets

1975 Hugo Maerten

1976 Kristin Arras Ingrid De Vos Door Van Boeckel Guusje Van Tilborgh Jos Verbist Rena Vets

1977 Peter Gorissen Marc Peeters

1978 Ludo Busschots Thalia De Leeuw Elisabeth Van Dooren Elfi Van Oeteren

1979 Marc Coessens Brigitte De Man Ludo Hellinx Erik Van Herreweghe

1980 Stef Baeyens Eugène Bervoets

Marleen Merckx Alida Neslo Linda Schagen van Leeuwen Ilse Uitterlinden Guido Van Camp

1981 Mieke De Groote Johan Heestermans Wim Langeraert Els Olaerts Carl Ridders Dirk Roofthooft Benvenuto Rottiers Loes Van den Heuvel Hilde Van Mieghem Luc Wyns

1982 Brit Alen Willem Carpentier Ward Rooze Rafaël Troch Els Van de Werf Ben Van Ostade

1983 Annick Christiaens Lieve Cools Jo De Backer Geert Defour Kris De Volder Daisy Haegeman Norbert Kaart Roger Meeusen Nicole Persy Marc Van Eeghem Manuëla Van Werde Jean Verbert

71

1984 Aafke Bruining Goele Derick Anne De Wilde Vera Müller Gert Portael Caroline Rottier Peter Van Asbroeck Lucas Van den Eynde René Van Sambeek Jean-Paul Van Steerteghem Katelijne Verbeke

1985 Erik Burke Bien De Moor Annick Segal

1986 Yves Bombay Herbert Bruynseels Christel Domen Els Dottermans Veerle Eyckermans Victor Löw Anne-Marie Picard Anne-Mieke Ruyten Elsemieke Scholte Guy Van Sande

1987 Koen De Bouw Hilde Heijnen Karlijn Sileghem Ann Tuts Antoine Van der Auwera

1988 Bert Cosemans Helga Demeyere

Karina Geenen Ineke Geerts Ann Hendricks Rudy Morren Vera Puts

1989 Stany Crets Gunther Lesage Leontien Nelissen Michaël Pas Ann Pira Marcel Royaards Peggy Schepens Tine Van den Brande Inge Van Olmen

1990 Bettina Berger Robert De la Haye Pieter-Jan De Smet Koen De Sutter Veerle Dobbelaere Herwig Ilegems Mark Stroobants Reinhilde Van Driel

1991 Anouk David Ann Denolf Wim Oris Simone Peeters Helena Vanloon Hans Van Cauwenberghe Christel Van Schoonwinkel

1992 Wim Opbrouck Anja Van Riet

An Ceurvels Gert Lahousse Elke Dom Twiggy Bossuyt Wim Willaert Hugo Metsers (jr)

1993 Katrien De Becker Johan Heldenbergh Tania Poppe Lucas Smolders Anne Somers Fania Sorel Margot Van Doorn

1994 (Meestergraad) Sofie Decleir Joke Devynck Lorenza Goos Ivan Pecnik Wim Stevens Jan Van Hecke Ariane Van Vliet Katrien Vandendries

1995 Koen De Graeve Peter Michel Ramsey Nasr Sally-Jane Van Horenbeek

1996 Vivian Bastiaensen An Miller Victor Peeters Peter Seynaeve Koen Van Kaam Kristine Van Pellicom

72

1997 Tine Embrechts Wouter Hendrickx Rebecca Huys Stefan Perceval Adriaan Van den Hoof

1988 Veva De Blauwe Tom Dewispelaere Brechtje Louwaert Inge Paulussen Ben Segers Stijn Van Opstal

Geert Van Rampelberg Sara Vertongen

1999 Ruth Becquart Marij De Nys Sandrijn Helsen Myriam Mulder Eva Schram

2000 Nathalie Broods Karolien De Beck Kristien De Proost Ini Massez Isabelle van Hecke Jessa Wildemeersch

2001 Jochen Balbaert Maarten Bosmans Jeroen Perceval

2002 Bert Haelvoet

2003 Griet Boels Benny Claessens Stefaan Degand Kevin Janssens Kyoko Scholiers Els Van Peborgh

De namen van de afgestudeerden werden bezorgd door het secretariaat van het Herman Teirlinck Instituut

Voor zover die ons bekend is, vermelden we de artiestennaam (de officiële naam volgt dan tussen haakjes)

73

Laureaten Studio Kleinkunst

1972 Luc Appermont Luc Bral Liliane Dorekens Nicole Hendrickx Harry Mertens Rik Moens Connie Neefs Willy Velleman

1973 Mia Grijp

1974 Wim Huys Paula Stulemeyer Luk Willekens

1976 Herman Mariën

1977 Marjolein De Wijs Linda Lepomme Magali Uytterhaegen

1978 Peter Jonckheer

1979 Marc De Coninck

1980 Hildegard De Buck Ingrid Pollet

1981 Ans Peters Mitta Van der Maat Nicole Van der Veken Kattie Van Hoof

1982 Karin Jacobs Nikky Langley Marc Lauwrys Igo Van Hoof

1983 Paul Carpentier Geert Vermeulen

1984 Karin Tanghe Alexandra Van Marken

1985 Christine Bosmans Marijke Hofkens Werner Welslau

1986 Anouk Ganzevoort Vera Mann Chiel Van Berkel

1987 René Vanhove

1988 Stef Bos Saskia Bosch Myriam Bronzwaar Rudi Genbrugge Peter Reyn Ingeborg Sergeant Bart Van den Bossche

Bieke Van Melkebeek

1989 Ann De Winne Jean-Marie De Smet Erik Goosens Jan Goosens

1990 Els De Schepper Ariadne Van den Brande Pieter Van der Sman Hans Wellens

1991 Claude de Burie Bas Heerkens Paul Maes Pascale Michiels Hilde Vanhulle David Verbeeck

1992 Hilde De Roeck Ingrid Dullens Daisy Thijs Tom Van Landuyt Dominique Van Vliet Lenneke Willemsen

1993 Ilse Bertels Brecht Callewaert Kristien Coenen Jeroen Maes

1994

Meestergraad

Esmé Bos Nathalie De Schepper

74

Pieter Embrechts Mireille Vaessen Louis Van Beek Bart Voet

David Davidse (EVG)

1995 Tina De Rous Gerdy Swennen

1996 Steve Beirnaert Jorgen Cassier David Dermez An Pierlé Tine Reymer

1997 Tiny Bertels

1998 Nele Bauwens Dahlia Pessemiers

1999 Stijn Cole Nele Goossens

2000 Leen De Veirman Filip Jordens Helge Slikker Els Van den Bulck

2001 Frank Mercelis Nico Sturm Stefaan Van Brabandt Ann Verhelst

2002 Roy Aernouts Abke Haring Jeroen Van Dyck Hendrik Van Geel

2003 Kaat Hellings Louis van der Waal

EVG: Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap De namen van de afgestudeerden werden bezorgd door het secretariaat van het Herman Teirlinck Instituut

Voor zover die ons bekend is, vermelden we de artiestennaam (de officiële naam volgt dan tussen haakjes)

75

ORGANIGRAM

Herman Teirlinck Instituut

Artistiek directeur: Johan van Assche Algemeen coördinator: Franka Daels

Artistieke coördinatoren

Woordkunst: Marleen Vertongen Toneel Dora van der Groen: Johan van Assche Kleinkunst: Patricia Beysens en Jan Van Looy Toneel Studio: Marc Debisschop

Artistiek verantwoordelijken 2002-2003

Marc Debisschop, Han Kerckhoffs, Frank Vercruyssen voor Toneelklas Studio Patricia Beysens, Manou Kersting, Wigbert Van Lierde, Jan Van Looy, Marc Verstraete voor Kleinkunst Dora van der Groen, Johan Van Assche, Ivo Van Hove voor Toneelklas Dora van der Groen Bob De Groof, Stan Milbou, Ben Van Ostade, Marleen Vertongen voor Woordkunst

Studentenadministratie en bibliotheek : Koen Donckers Financiën en personeelsadministratie : Frans Lemmens Technische ploeg : Hugo Moens, Jef Cresens

Onderhoudsploeg : Josette Fyens , Roland Verplancke, Jeannine Stevens Kostuumatelier : Josette Fyens Conciërge Herman Teirlinck Instituut : Ludo Mariman

76

Herman Teirlinck Instituut

Maarschalk Gérardstraat 4, B-2000 Antwerpen Tel.: ++32 - (0)3 - 231.54.65 Fax: ++32 - (0)3 - 232.22.34 e-mail: hti@ha.be http://www.teirlinckinstituut.be

Het Herman Teirlinck Instituut maakt deel uit van het

Departement dramatische kunst, muziek en dans van de Hogeschool Antwerpen Desguinlei 25, B-2018 Antwerpen Tel. +32 (0)3 244 18 00

Fax + 32 (0)3 238 90 17 e-mail conservatorium@ha.be http://www.conservatorium.be

Hogeschool Antwerpen

Centrale Administratie: Keizerstraat 15, B-2000 Antwerpen Tel. +32 (0)3 213 93 00 Fax +32 (0)3 213 93 41 e-mail: centraal@ha.be http://www.ha.be

77

Samenvatting

Deze publicatie geeft een bondig overzicht van de geschiedenis van de professionele theateropleidingen te Antwerpen, van 1867 tot 2003.

De Vlaamse componist Peter Benoit had in 1867 te Antwerpen een muziekschool gesticht, waar er een opleiding in muziek en dramatische kunst werd gegeven. Toen in 1898 deze muziekschool als “Koninklijk Vlaams Conservatorium” werd erkend, kreeg ook de theateropleiding hier een plaats. De Vlaamse auteur en wetenschapper Maurits Sabbe zorgde in 1917 voor een herstructurering, en een uitbreiding van het lessenpakket. Van het begin af, was er een hechte band tussen de theateropleiding van het Conservatorium, en het professionele theater, in het bijzonder met het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg. Er werd een opleiding gegeven zowel voor “toneel” als voor “voordrachtkunst”.

Onder impuls van de Vlaamse romanen toneelauteur Herman Teirlinck werd in 1946 een “Studio” opgericht als een voortgezette opleiding, die een onderdak kreeg bij het Nationaal Toneel – Koninklijke Nederlandse Schouwburg. In 1966 werd de Studio door het rijk overgenomen als “Hoger Instituut voor Dramatische Kunst – Studio Herman Teirlinck”. Deze instelling, waar een opleiding werd gegeven voor “toneel” en “kleinkunst”, verwierf in

het Nederlandse taalgebied en daarbuiten een stevige reputatie.

De twee theateropleidingen bleven jarenlang naast elkaar bestaan, en zorgden voor vernieuwing in het Vlaamse theater. In de Studio Herman Teirlinck kwam er onder de directie van Alfons Goris zowel een stevige structuur als een internationale uitstraling, in het Conservatorium legde Dora Van der Groen de basis voor de “Vlaamse Golf”: een creatieve uitbarsting in het Vlaamse theater tijdens de laatste twee decennia van de 20ste eeuw.

In 1995 werden beide scholen ondergebracht onder de koepel van het departement dramatische kunst, muziek en dans van de “Hogeschool Antwerpen” (een “university college” met ca. 6.500 studenten, met “hoger onderwijs van academisch niveau”). Vandaag werken in dit departement de twee vroegere scholen samen als “Herman Teirlinck Instituut”, waar er opleidingen worden gegeven voor woordkunst, kleinkunst, en toneel. (tb)

78

English Summary

This publication provides a brief outline of the history of the professional theatre education in Antwerp, from 1867 up to 2001.

Flemish composer Peter Benoit had founded a music academy in 1867, where one was offered an education in musical and dramatical arts. When in 1889 this musical academy was recognized as the “Koninklijk Vlaams Conservatorium” (Royal Flemish Conservatory), the theatre education was given a place in this institution. Flemish author and scientist Maurits Sabbe was responsible for a restructuring and an extension of the offered courses in 1917. From early on there was a close relationship between the theatre educations provided by the Conservatory and the professional theatre, in particular the company attached to the Koninklijke Nederlandse Schouwburg (Royal Dutch Theatre). There were courses available in the fields of “play-acting” and “recital”.

AidedbyFlemishnovelistandplaywrightHermanTeirlincka“Studio”wasfoundedin1946tofunctionasfurther education, and it was offered a roof over its head by the National Theatreroyal Dutch Theatre. In 1966 this “Studio” was taken over by the government under the name of ‘Hoger Instituut voor Dramatische Kunst – Studio HermanTeirlinck’.Thisinstitution,wherecoursesin“acting”and“cabaret”weretaught,earnedasolidreputation in the Dutch-speaking world, and even outside of that.

These two theatre educations co-existed next to each other for years and were responsible for several innovations in the Flemish Theatre. In Studio Herman Teirlinck a strong structure and international fame was acquired by Alfons Goris, in the Conservatory Dora Van der Groen created the fundamental basics for the ‘Flemish wave’, a creative outburst in Flemish theatre in the last two decades of the twentienth century.

In 1995 both schools were united in the department of dramatic art, music and dance of the “Hogeschool Antwerpen” (a “university college” with approximately 6500 students, with a higher education on an academic level.) Currently this department houses the two former separate schools, under the joint name ‘HermanTeirlinck Institute’, where courses are given in speech, cabaret, and acting. (tb - translation: Anke Brouwers)

Further information on the websites: http://www.ha.be/ects (Hogeschool Antwerpen) http://www.teirlinckinstituut.be http://www.conservatorium.be

79

INHOUD

Woord vooraf 3 Van declameren naar spelen 5 Personalia 34 Voetnoten 53 Docenten 2002-03 60 Laureaten KCA Dramatische kunst 62 Laureaten KCA Woordkunst 66 Laureaten Studio Toneel 70 Laureaten Studio Kleinkunst 74 Organigram 76 Samenvatting 78 English Summary 79 Inhoud 80

Een uitgave van:

Herman Teirlinck Instituut, Departement dramatische kunst, muziek en dans, Hogeschool Antwerpen Ontwerp boekomslag en lay-out: Karel Van der Borght Illustraties: archief Herman Teirlinck Instituut en KVC-Antwerpen Het copyright van de foto’s berust bij de vermelde fotografen

OC 2003 Toon Brouwers en Departement D, Hogeschool Antwerpen Verantwoordelijke uitgever: Pascale De Groote, Desguinlei 25, B-2018 Antwerpen Wettelijk depot: D/2003/9720/1

80

Comments