Home‎ > ‎Interviews‎ > ‎

Rudy Witse (S. Wouters, 2012)

Datum

2 maart 2012

Plaats

Antwerpen

Bio

Rudy Witse is het dichterlijke alter ego van radioproducer Willem Houbrechts. Sinds het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig was Witse ook een prominente getuige van de Antwerpse artistieke scène, waarover hij in gesprek en in geschrift met veel liefde terugblikt.

Interview 

U bent vooral bekend van Radio 2 in Antwerpen. Heeft u altijd voor de radio gewerkt?

Neen, ik heb geschiedenis gestudeerd in Gent. Ik ben ook nog begonnen aan filosofie, maar daar ben ik mee gestopt. Toen moest je nog Grieks moest kennen om filosofie te studeren. Ik had in het secundair onderwijs wel de richting Grieks-Latijn gevolgd, maar om in de zomer nog een stuk van Plato te gaan vertalen, dat zag ik niet meer zitten. Er waren leukere dingen te doen in die tijd. Tegenwoordig kan je een thesis schrijven over de Stoïcijnen zonder een woord Latijn te kennen, maar toen was dat nog wel anders.

Na mijn studies heb ik tien jaar les gegeven in het stadsonderwijs. Op een bepaald ogenblik besloot ik deel te nemen aan een examen voor de functie van producer bij de radio. Van de 440 kandidaten waren er slechts acht geslaagd en daar was ik bij. Eerst vijf jaar in Brussel bij Radio 1 en nadien kwam er hier in Antwerpen een plaats vrij. Dat was praktisch om op tien minuten wandelafstand van je werk te wonen. In Antwerpen ben ik gebleven tot het einde van mijn carrière.

Ze hebben me het mooie geschenk gegeven dat ik op 55 jaar op pensioen kon. Juist op het moment dat ik het heel erg beu werd. De vastbenoemden die veel verdienden en waaraan bovendien geen overste iets te zeggen had moesten opeens verdwijnen, een eenmalige maatregel. En ik viel binnen de vereiste condities. Met als gevolg dat werknemers vandaag minder verdienen en dat ze niets meer mogen zeggen, anders vliegen ze buiten. Bovendien ben ik dankbaar en blij dat ik niet tot mijn 65 jaar heb moeten werken, want op mijn 64 ben ik ernstig ziek geworden. Ik ben nu wel officieel genezen, maar ik voel me slecht door de chemotherapie. Door die opstapregeling heb ik nog bijna tien jaar kunnen reizen en anders had ik niets meer kunnen doen.

U was ook werkzaam als dichter. Zo heb ik gelezen dat u in de zomer van 1965 gedichten hebt geschreven om aan te brengen op het Concienceplein in Antwerpen. Is dat juist?

Ja, maar ik was niet alleen. Dat was een initiatief van verschillende mensen, waaronder ook Tony Rombouts en Frans Neels denk ik. Die gedichten waren geschreven in grote letters. Toen was het Concienceplein nog niet autovrij. Dit was één van onze acties om dat plein autovrij te krijgen. Ons stamcafé, het Pannenhuis, was trouwens op dat plein. Wij kalkten daar gedichten op straat, maar welk gedicht, dat weet ik niet meer.

Ik geloof wel dat ik ooit een foto had, maar die is verdwenen. Er is veel materiaal verloren gegaan toen mijn kelder ondergelopen is. Zo gaat dat in het leven.

Hugo Heyrman, Wout Vercammen en waarschijnlijk ook Panamarenko hebben foto’s genomen, met de bedoeling die achteraf te projecteren in het AMVC-Letterenhuis. Wat weet u daar nog van?

Dat kan, maar daar kan ik mij niets meer van herinneren.

Was u ook bij die happening van Panamarenko & co in Oostende?

Ja, maar dat was niet zo denderend… Er waren wel meer mensen uit Antwerpen die met de trein naar die happening kwamen kijken. Ik herinner me alleen dat het op de zeedijk plaatsvond, vlakbij het casino, waar de dijk een bocht maakt.

Wat ik wil benadrukken is het verschil tussen de Antwerpse happenings en die in Nederland. Het feit is dat die Antwerpse happenings eigenlijk niet politiek geëngageerd waren, net als bij de kunstgebeurtenissen in Amerika van Allan Kaprow en zo. Alleen die twee happenings op het Concienceplein waren duidelijk voor of tegen iets gericht. Daar kan je zeggen dat er een sociaal-politieke achtergrond was, terwijl in Amsterdam de provo-happenings allemaal politiek getint waren.

Ik heb een tijdje geleden ook de Antwerpse provo Koen Calliauw geïnterviewd.

Dat is een schertsfiguur in mijn ogen. Hij is alles geweest, van hippie tot stalinist en alles wat daar tussen ligt. Met zijn Blote Voeten Plan. Ferre Grignard was daar ook bij betrokken. Hij vond het wel een leuk idee. Zijn voetzolen waren zo verhard dat hij daar sigaretten mee kon uitstampen. Ik denk dat hij de enige was. En Calliauw zelf tot hij redacteur werd bij De Morgen, dan was hij weer een socialist.

Om even terug te keren naar Oostende. Op een foto heb ik gezien dat er een doek in de vorm van een cirkel op de grond werd gelegd, met daarop kleine stoeltjes.

Ja, alles werd op de grond gelegd, dat kan. Ik herinner me dat Luc Mayeres er bij was. De fameuze Luc Mayeres… Hij is overleden in de gevangenis. Je weet dat die vogel die in De Muze hangt van hem is?

Mayeres had zijn atelier in de Keizerstraat, op nummer 43. Waar ook Rudy Renson woonde, de toogfilosoof en vriend van Nicole van Goethem. Albert Szukalski heeft daar ook gewoond.

Mayeres had op het gelijkvloers zijn atelier. Hij is moeten wegvluchten naar Londen wegens een drugprobleem en heeft daar jarenlang gewoond. Eigenlijk waren wij een beetje familie. Armand de Hesselle was getrouwd met de zuster van mijn eerste vrouw en Luc Mayeres was getrouwd met de zuster van Armand de Hesselle. Hij was een van de verdedigers van De Muze. Je had er zo twee, ‘Hanki Panki’ (Henk de Bruyn) en hem. Als de mensen van het Vlaamsgezinde café De Leeuw van Vlaanderen, dat net om de hoek is, ruzie kwamen zoeken in De Muze, dan waren zij de verdedigers.

Mayeres is dan teruggekomen uit Londen en nadien is die affaire begonnen waarbij hij een vriend heeft dood geschoten, die dat zelf had gevraagd. Tien jaar heeft hij gekregen, waarvan hij reeds drie jaar in voorarrest had gezeten. 

Vindt u Mayeres een miskend kunstenaar? De sculptuur die in De Muze hangt laat wel een grote indruk na bij vele mensen.

Dat is dan ook het enige wat hij verwezenlijkt heeft. Het was zo iemand die kunstenaar was omdat iedereen kunstenaar was. Als hij werken zag uit zijn kennissenkring vond hij dat hij dat ook kon. Maar bij hem was het geen drang. Hij heeft een paar dingen gemaakt die niet slecht waren, maar een groot kunstenaar was hij niet in mijn ogen. En ik denk in zijn eigen ogen ook niet. Toen hij in Londen zat heeft hij waarschijnlijk niets meer gecreëerd. Mayeres was een gelegenheidskunstenaar en vanaf het moment dat hij uit het kunstenaarsmilieu weg was, had hij niet meer die drang om iets te scheppen.

Hoe komt het dat u aanwezig was bij die Antwerpse happenings van bij het begin?

Omdat ik in dat milieu rondhing. Het milieu van de jazzkroegen, de Gard Sivik enzovoort. Ik maakte deel uit van de Antwerpse dichters die toen nogal veel tijdschriftjes uitgaven. Dat is tegenwoordig ook allemaal afgelopen. En ik vertoefde tussen de schilders, die hele kunstbohème. Ik heb zelf nooit deel uitgemaakt van de harde kern, maar wel van de fringe zoals ze zeggen. Ik heb samen met Mike Zinzen en Fred Van Hove zelfs een poëzieplaat gemaakt. Dat zijn vriendschappen die blijven duren. Net toen zijn Panamarenko, Wout Vercammen en Hugo Heyrman begonnen met die happenings.

Ontsproot het idee om een happening te organiseren in het Pannenhuis?

Waar dat idee juist is ontstaan weet ik niet meer. Dat zou even goed in De Mok kunnen geweest zijn. Wie, wanneer en waar: wie zich iets herinnert van de jaren zestig, heeft ze niet meegemaakt. Dat is een boutade, maar er zit wel een kern van waarheid in. Er staat weinig op papier. De kern van de zaak is dat een happening voorbijgaand is. Er werden geen archieven bijgehouden. Je weet wel dat het heeft plaatsgevonden, maar vraag me niet wat er precies is gebeurd.

Wat je ook als happenings kan benoemen zijn de modeshows van Ann Salens. Dat waren geen gewone modeshows. Gerda Gerené was daar dicht bij betrokken. Zo herinner ik me nog een modeshow in een catchring. Het waren catchers die de modellen optilden. Ik zou dat toch toevoegen aan het happeninggebeuren, in de culturele zin van het woord.

Ik had u ook graag enkele vragen gesteld over een specifieke tentoonstelling in galerij De Kunstkamer.

Samen met Tony Rombouts zijn we zijn over die tentoonstelling beginnen brainstormen. Een hele reeks plastische kunstenaars en dichters waren betrokken (kijkt naar de affiche): Rudi Meekers was een dichter en Eddy Ausloos zal tekeningen bijgedragen hebben. ‘Dehert’, dat zal Jos De Hert geweest zijn, de broer van Robbe De Hert. Ik denk dat hij overleden is. Armand de Hesselle is later mijn eerste schoonbroer geworden.

De Hesselle heeft ook meegespeeld in de film Lysistrata van Ludo Mich, uit 1976.

Ja. Armand de Hesselle heeft universiteit gevolgd en dan een film of twee gemaakt die geflopt zijn. Congo onder andere. Hij zal wel in die functie betrokken geweest zijn.

Voor de tentoonstelling in de Kunstkamer zal hij allicht iets grafisch of filmachtig gemaakt hebben. De Winter zegt me niets meer. Dan was er nog Hugo Heyrman en Rudi Meekers. Hij zit veel in Spanje, als hij nog leeft. Paul Pandira was ook een dichter, maar hij heeft nooit verdergedaan. Frans Vanderwildt schreef niet en schilderde niet, maar hij was wel een organisator. Onder meer van de alternatieve boekenbeurs, lang voor Het Andere Boek.

U was daar ook bij betrokken.

Ja, dat vond plaats in zijn huis. Loos R en Rompaey zeggen me ook niets meer. De Kunstkamer was letterlijk één kamer, of misschien twee, maar zeker niet meer. Emile Binon en Rose Binon hielden de galerie open, eerst in de Lange Nieuwstraat en nadien in de Wolstraat. Ze woonden daar en stelden hun hun benedenruimte open als expositieruimte. Ze waren een pak ouder als wij, rond de vijftig, terwijl wij rond de twintig waren. 

Uit die affiche blijkt dat in de Kunstkamer een grote verscheidenheid van kunstvormen werd tentoongesteld.

Ja, ik had mijn gedichtjes ingekaderd. Dat was toen nog getypt met de machine op A4-formaat en aan de muur gehangen. Meer was het niet. Op die opening werd ook wat voorgelezen geloof ik.

Ik heb gehoord dat Panamarenko daar briefjes van 100 Belgische frank aan de muur nagelde, is dat juist?

Dat kan, maar het zou me verbazen. Waar zou hij die briefjes vandaan hebben gehaald? Hij had ook geen geld. Panamarenko is een heel vreemd figuur en Heyrman ook in zekere zin. Die maakten deel uit van heel dat gebeuren, maar eigenlijk ook niet. Buiten die happenings deden ze weinig. Panamarenko zat thuis, bij zijn moeder, dingen in elkaar te steken. Hij kwam niet op café. Hugo Heyrman van hetzelfde laken een broek. Af en toe kwam hij misschien in De Groene Michel en in De Muze. Maar als ze iets aankondigden, dan was iedereen er wel bij. Terwijl Wout Vercammen in alle cafés zat. Na drie pinten was hij al dronken, maar dan dronk hij er nog dertig (lacht).

Er was dan ook een zekere spanning, en nog altijd, tussen Vercammen en Panamarenko. 

Vercammen heb ik goed gekend, tegenwoordig wat minder. Hij kon een verschrikkelijke mens zijn maar volgens mij was hij de beste van al die artiesten.

Het was een heel klein milieu rond een aantal kroegen, waar je altijd iemand tegenkwam. Je moest niet afspreken. Terwijl wij nu moeten afspreken om elkaar nog eens te ontmoeten. Het groepje wordt wel steeds kleiner. Fernand Auwera wordt al drieëntachtig! Dirk Claus, de uitgever van Paradox Press, is dood. Jan Christiaens, de toneelschrijver, en George Van Cauwenbergh zijn ook overleden. Op iedere begrafenis kijken we eens rond: wie is de volgende (lacht). Op dit moment, we hebben het eens geteld, zijn we nog met een man of tien. Karel Moers is daar ook bij, hij is ook tachtig jaar. We zien hem niet vaak meer. Zijn smaakpapillen zijn naar de vaantjes en hij is langzaam blind aan het worden, wat voor een schilder uiteraard dramatisch is. Tony Rombouts is er ook nog bij, maar van heel de groep ben ik de jongste. Mark Andries, de schrijver, is daar bij. En Eddy Ausloos, maar daar is onlangs nog ruzie mee geweest en die is er uit getrokken. Zelfs oude mensen maken nog wel eens ruzie (lacht).

Herinnert u zich nog wat voor werk Heyrman en Vercammen tentoonstelden in de Kunstkamer?

Vercammen maakte in die periode werken met verf waar hij met een kam doorging. Daarmee heeft hij redelijk veel succes gehad in Zwitserland, of all places. Dat was in die tijd niet zo vanzelfsprekend. Hij heeft dat allemaal heel koeltjes, te koeltjes, opgevolgd.

Hij heeft bijna nooit gewerkt maar altijd van zijn schilderijen geleefd. Eén keer is hij verkoper in een meubelwinkel geweest, maar dat heeft niet lang geduurd. Vercammen kwam wanneer hij goesting had en dat blijft natuurlijk niet duren.

Hij heeft wel altijd tentoongesteld en verkocht, maar echt doorgebroken is hij nooit. Terwijl dat Fred Bervoets wel is gelukt. Maar mocht Bervoets niet Adriaan Raamdonck hebben gehad, denk ik dat hij een figuur zoals Wout Vercammen was geweest. Nu zit zijn werk in vele internationale collecties en musea. Dat hangt dikwijls van toevalligheden af. Panamarenko is op Jan Hoet gevallen …

Heeft u ook nog op andere plaatsen tentoongesteld?

Neen, gedichten tentoonstellen was niet zo ‘in’, nog altijd niet trouwens. Dat was een eenmalig gebeuren. Misschien heeft er nog wel eens iets in het Pannenhuis gehangen. Je had wel de alternatieve boekenbeurs in het huis van Frans Vanderwildt, op nummer 10. En daar werden onze uitgaven dan tentoongesteld, zoals een dichtbundel van mij uitgegeven bij Paradox Press van Dirk Claus. Claus gaf ook de eerste bundels uit van Nic van Bruggen, Tony Rombouts en Bobb Bern. Het verwondert me een beetje dat Bern niet mee op de affiche van de Kunstkamer staat. Hij woont nu in Frankrijk. Hij heeft ook keelkanker gehad. Soms komt hij nog wel eens naar hier, maar het is een eenzame en verbitterde man geworden. 

Hij heeft ook mee gewerkt aan het boek Antwerpen in de jaren zestig, net zoals u.

Daarmee heeft hij me lelijk beetgenomen. Ik was één van de initiatiefnemers. Het ging om de catalogus bij een tentoonstelling in het Hessenhuis. Het initiatief ging uit van Mandy Nauwelaerts, die bij de stad werkte. Die had mij gevraagd als adviseur. Het Hessenhuis was toen pas opnieuw open. De tentoonstelling was op de eerste verdieping, net zoals bij G58.

G58 heb ik zelf niet meegemaakt omdat ik te jong was. Een aantal van die mensen heb ik wel gekend en sommigen ken ik nog. Mensen zoals Camille van Breedam, Cel Overberghe, en Wannes van de Velde. Paul Van Hoeydonck en Vic Gentils waren een pak ouder, terwijl Overberghe en van de Velde ook rondhingen in de cafés waar ik was en die anderen niet.

Om terug te komen op de catalogus, het idee was om een aantal artikels te plaatsen over literatuur, muziek, enzoverder. En het boek werd uitgegeven bij Houtekiet. Ik had aan Bobb Bern gevraagd om over de literatuur uit die periode te schrijven. Ik vroeg hem om het een beetje eenvoudig te houden, maar hij kwam op de proppen met een werkstuk waar kop noch staart aan te knopen was, met veel dure woorden. En dan hebben we snel snel aan Tony Rombouts gevraagd om iets verstaanbaar te schrijven. Ik heb de inleiding geschreven en het hoofdstuk over muziek. Ik vind dat nog altijd een goed artikel, al zeg ik het zelf. Onder meer over jazz, met de figuur van Mike Zinzen als centrale spil. 

Ik zie hem niet meer spelen in De Muze. Leeft hij nog?

Ja, op het einde van het jaar, in september, wordt hij tachtig. Hij sukkelt al jaren met prostaatkanker en komt bijna niet meer buiten. Soms haalt hij nog wat muzikanten bijeen bij hem thuis en dan speelt hij nog wel. Ook zijn benen zijn heel slecht. Hij komt soms nog wel eens in café Highlander aan de andere kant van zijn straat. Daar gaat hij op het terras nog wel eens zijn sigaretje roken.

Ik heb trouwens heel zijn biografie geschreven. Maar dat is ook een lang verhaal. Op een gegeven moment vraagt hij me of ik zijn biografie wil schrijven. De bedoeling was om geld te verdienen. Hij had al een uitgever gevonden. Ik heb dat op mijn manier aangepakt, in de zin dat het eigenlijk de geschiedenis is van Antwerpen in de jaren zestig met hem als spilfiguur. Dat zinde hem niet. Het boekje moest alleen over hem gaan. En dan is die uitgever ook nog failliet gegaan.

Het boekje bestaat wel, geloof ik.

Neen, dat is niet mijn tekst. Er bestaan er wel twee, maar die heeft hij zelf geschreven en die gaan alleen over hem. Bij één ervan zit een cd, maar ze zijn nooit in de handel verschenen. Hij verkocht ze wanneer hij concerten gaf en in de vriendenkring.

Zijn gezondheid is heel slecht. Het is een wonder dat hij nog leeft, met zijn levensstijl, maar er zijn er ook die vroeg gestorven zijn (lacht).

Ik heb één kamer volledig gevuld met biografieën. Voor het boek waarvan de uitgever failliet is gegaan heeft hij nog een andere sponsor gevonden, maar die heeft uiteindelijk ook verstek laten gaan. Ik heb die tekst nog liggen. Dat heb ik geschreven eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Het project is dus ook niet meer volledig. Het laatste stuk van zijn leven staat er niet meer in.

Ik heb wel dertien dichtbundels uitgegeven, maar de meeste in eigen beheer, precies omdat ik er altijd zelf iets van wou maken. Ik zal u een paar exemplaren tonen. [Eén dichtbundel is opgevat als een zes meter lange ‘papyrusrol’, een andere in tubevorm met daarin ook kunstfoto’s van de deeltjesversneller.]

Niemand wil dat uitgeven, zelfs een gewone dichtbundel is al niet vanzelfsprekend.

Ik zie dat u ook een affiche heeft van de laatste tentoonstelling van Ferre Grignard in galerie De Zwarte Panter.

Ja, het origineel heb ik gezien bij Vera (de laatste vriendin van Ferre Grignard, nvdr). Dat werk is in het echt veel kleiner dan de reproductie op de affiche, een beetje teleurstellend, maar wel knap werk.

De meeste mensen in die tijd deden van alles. Zo speelde Cel Overberghe jazz, maar hij schilderde ook. En Wannes van de Velde: wat deed hij niet? Of Jean-Marie Bailleux: een drummer, maar ook een beeldend kunstenaar. Hij heeft trouwens later de muziek vaarwel gezegd en koos alleen voor de beeldende kunst, onder de naam César BailleuxToen was hij de drummer van het befaamde Mok-kwartet. Met Mike Zinzen op saxofoon, Dré Metten op bas en Fred van Hove op piano, die speelde toen nog klassieke jazz. Nu niet meer.

Nu is het free jazz?

Zeg dat nooit, want dan wordt hij kwaad. Het is eerder geïmproviseerde muziek of ‘aleatoire muziek’, als je het een beetje ingewikkelder wil zeggen. In De Mok hebben veel mensen muziek gespeeld, maar zij waren het huiskwartet laten we zeggen. In het café hing trouwens een foto van hen vier waarop ze over een reling hangen aan de Schelde. Ik heb in De Mok ook Philippe Catherine gezien. Mike Zinzen had hem ergens ontmoet als jong ventje van zeventien of achttien jaar, en hij was erg onder de indruk geraakt.

De Mok werd in juni 1962 door Mike en Fred geopend. De bedoeling was dat het café vierentwintig uur per dag open bleef, zeven dagen op zeven. Ze hadden de sleutel weggegooid in de goot. Maar in juli 1962 was het Comblain-la-Tour. Samen met een groep mensen trokken ze daarheen. Op de terugkeer hadden ze een ongeval. Fred zat met zijn hals in een plaaster. Dan heeft Mike het maar alleen gerund. ’s Morgens vroeg, als er niemand in het café was, ging hij op de zetel liggen en dan sliep hij een paar uur. Als je daar nu op terugblikt dan heeft dat precies jaren geduurd. In werkelijkheid is het maar exact twee jaar geweest. Daarna is in 1964 De Muze opengegaan, maar dat had niets met elkaar te maken. Achteraf heeft Zinzen iets veel chiquer van De Mok gemaakt. En opnieuw een sleutel gekocht.

Was hij niet op een gegeven moment naar de Frankrijklei verhuisd?

Mike heeft de Gard Sivik gehad op de Stadswaag en de Hornclub in de Venusstraat, waar het stadsarchief vroeger was. Dat heeft ook niet lang geduurd. Daarna De Mok. Nadien is dat café nog lang blijven bestaan. Nu is het een soort galerie, gespecialiseerd in het werk van onder meer Herman Brood. Voordien is het ook nog een bordeel geweest. Dat huis daar in de Wolstraat heeft wel een en ander gezien (lacht).

Daarna is Mike met de Sibemol op het Mechelseplein begonnen, waar nu de Kapitein Zeppos is. Dat was nog erger. Een enorm groot café, met een gat in de vloer voor het podium en achteraan een uitzuiperskroeg met Nicole van Goethem en Krista Officiers achter en voor de toog. Er hebben talloze mensen opgetreden, en dat heeft maar zes weken bestaan! Daarna was hij failliet. Hij had veel laten installeren en niets betaald. Een paar weken later stonden de leveranciers aan de deur om dat allemaal terug te halen. Zijn tapinstallatie en zo.

Thom Jaspers deed mee aan de derde Antwerpse happening. Wat weet u nog over hem?

Die Nederlander kwam eens kijken wat wij hier aan het uitspoken waren. Ik weet niet meer wie hem naar hier heeft gehaald. Ik ben met hem naar professor Jaap Kruithof gegaan. Ik studeerde toen geschiedenis in Gent. Om de één of andere redenen wou Jaspers daar een gesprek mee voeren. We trokken onze stoute schoenen aan want Kruithof kende me alleen van de twee examens die ik bij hem had afgelegd. Kruithof heeft netjes geluisterd en weinig gezegd. Eén van de dingen die Jaspers op tafel gooide was dat roken ongezond is en dat hij zelf wiet rookte, wat beter is voor het hart. Nu moet je wel weten dat Kruithof een kettingroker was! We hebben daar een kwartiertje gezeten en dan zijn we weggegaan. Het is wel ongelofelijk dat de jongste professor die er ooit geweest is rustig luisterde naar wat Jaspers te vertellen had.

Heeft u ook de laatste happening op de Groenplaats meegemaakt, ter gelegenheid van de opening van de Wide White Space Gallery? Dat is de happening waar een lange tunnel werd opgezet.

Dat weet ik niet. In de Wide White Space werden ook happenings gehouden maar dat was voor een heel select publiek. Terwijl het op de Groenplaats voor iedereen was. Iedereen die wou kon even blijven staan. De Wide White Space was een manier van werken die ook in de tijdsgeest paste, maar meer elitair was.

Het valt me steeds op hoe veel er in de jaren zestig is gebeurd en hoe veel er is veranderd op zo een korte tijd. Ik heb de indruk dat alles nadien veel trager is veranderd.

Jij mag dat zeggen, want je bent nog jong. Als ik zeg dat er na de jaren zestig niet veel meer is gebeurd, wordt me dat niet in dank afgenomen. Ik maak me ook kwaad als jonge mensen zeggen dat er niets is gebeurd in de jaren zestig. Vele dingen zijn veranderd waarvan we nog altijd de impact voelen.

De wortels van onze ecologische bewustwording zijn ook daar te vinden.

Natuurlijk. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik dat woord hoorde. Het was in De Mok. Rudy Renson kwam daar mee af. Rudy was een toogfilosoof, was ook aangesloten bij de Internationale Situationisten. Natuurlijk hebben we de wereld niet veranderd, maar er zijn toch een paar dingen in gang gezet. Misschien overdrijven we die periode, maar nu gebeurt er helemaal niets meer. We waren misschien naïeve idealisten, maar nu zijn er geen idealen meer, laat staan naïeve.

Ik heb wel de indruk dat er de laatste tijd van alles op gang komt, mede gevoed door de financiële crisis. Het internet speelt daarbij een grote rol.

Natuurlijk leven we in een andere tijd. Ik heb bijvoorbeeld geen Facebook of gsm. Je verliest voeling uiteraard, ik zal wel een ambetanterik zijn, maar als ik hen op de tram allemaal bezig zie… met hun lange gezichten. Er is misschien een reden voor.

De jaren zestig waren ook de gouden jaren. Niet dat wij veel geld hadden, maar toch genoeg om zat te worden (lacht). Dat kostte ook geld, zelfs in die tijd. Er wordt wel eens gezegd dat de Amerikaanse hippies eigenlijk een luxeverschijnsel waren: zij konden zich permitteren om er niet bij te willen zijn. Er zijn sociologische studies over verschenen.

Het zal vandaag zeker in een andere vorm gebeuren dan bij ons. Het was toen ook een kleine groep en geografisch beperkt. Je had Antwerpen en daarnaast een groep in Gent met Sieg van der Cruys en Guido Van Meir. Van der Cruys had een uitgeverij, de Vlijtige Vlieg.

Van Guido Van Meir ken ik uit die periode De eerste Wonderboy peperbek.

Daar kom ik in voor: ik ben ‘Rudi de Zwitser’. Voor Sieg heb ik de inleiding geschreven voor een boek van Bakoenin. In Brussel had je ook een zeker milieu, hoewel dat een oudere generatie was. Dat omvatte mensen als Marcel van Maele en Marcel Broodthaers, dus eerder de ouderwetse bohémiens. Van Maele was overal, ook hier en in Brugge. Ik heb daar nog iets aan de muur hangen van hem, met die latjes, waar een tekst onder zit. 

Typisch iets voor van Maele, zoals tekst in flesjes stoppen. Vanaf 2009 werden er in het Felixpakhuis te Antwerpen poëzie-evenementen georganiseerd. Sluit dat niet aan bij wat er in de jaren zestig in Antwerpen, en elders, gebeurde?

Maar de generatie van de jaren zestig wordt niet uitgenodigd. Op een bepaald moment moet je leren aanvaarden dat je tijd voorbij is. Sommigen hebben het daar heel moeilijk mee. Ik niet. Ik heb altijd mijn kosten terugverdiend uit mijn dichtbundels, en zelfs iets meer. Maar ik heb mezelf altijd bewust buiten spel gezet, omdat ik niet tot literaire groepjes wou behoren en zeker niet met uitgevers wou werken.

Mensen zoals Marc Andries en Fernand Auwera hebben het daar heel moeilijk mee. Ze schrijven nog maar voor elke nieuw boek moeten ze een nieuwe uitgever zoeken, want dat verkoopt voor geen meter. Zij willen niet aanvaarden dat hun tijd voorbij is. Fernand zit weer in zak en as. Enkele maanden geleden heeft hij een boek uitgegeven, een goed zelfs, maar geen enkele krant heeft daarover geschreven. Ook geen woord op de radiozenders. Maar de generatie Herman Brusselmans / Tom Lanoye gaat hetzelfde lot tegemoet. Binnen twintig jaar kraait daar ook geen haan meer naar. Zelfs Hugo Claus was op het einde van zijn leven erg verbitterd omdat over zijn laatste dichtbundel vrijwel geen recensies verschenen zijn.

 

Interview: Stefan Wouters 

Transcriptie: Stefan Wouters 

Eindredactie: Thomas Crombez

Comments