Home‎ > ‎Interviews‎ > ‎

Ludo Loose (J. Mestdagh, 1988)

Datum

Mei 1988

Plaats

Bio

Interview

In Antwerpen zijn de jaren zestig beduidend vroeger gestart dan pakweg in Leuven. In het begin was er de VAGA, de Vrije Actie Groep Antwerpen. De leden daarvan cirkelden vooral rond de Wide White Space Gallery en het Gouden Huis. Dat was een associatie van een aantal kunstenaars en progressieven die vonden dat de Antwerpse musea – en dan vooral het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – maar een dooie boel waren, en dat de kunst dringend naar de mensen moest worden gebracht. Zo zijn er initiatieven geweest om bijvoorbeeld in het museum basketbalwedstrijden te organiseren, of demonstraties van fietsen op rollen. Men wou er een open museum van maken. Maar kunst naar de dokwerkers brengen bleef een moeilijke zaak, en dus ging men naar andere middelen uitkijken. En zo komt het dat men in Antwerpen de eerste happenings is gaan organiseren.

Want uit Nederland kwam Provo overgewaaid?

In dit verband herinner ik me nog goed Koen Calliauw, die zo’n beetje de animator was van de wekelijkse happenings op de Groenplaats. In het kader van de strijd voor vrede in Viëtnam namen de Jongcommunisten, waarbij ikzelf aangesloten was, deel aan een reeks happenings, waarmee ze zich heel wat problemen op de hals haalden met de Antwerpse partij-instanties.

Die keken daar heel wantrouwig tegenaan?

Dat zal wel zijn! Men zag het als kleinburgerlijk gedoe waarbij figuren op blote voeten en met een blikken trommel rond het standbeeld van Rubens liepen, en daarbij in de waan verkeerden dat ze zo het kapitalisme konden omverwerpen. Dat was de teneur van de opmerkingen die we te horen kregen. Wij jongeren zagen die happenings echter als een zeer geschikt middel om bredere lagen van het publiek te bereiken.

Ook de politie was niet bepaald geestdriftig over jullie optreden…

Met een dergelijke manier van actie voeren was het repressieapparaat op dat ogenblik helemaal niet vertrouwd. Men reageerde vaak zeer agressief. Daar stond tegenover dat die agressiviteit voor een stuk werd opgevangen door het uitgesproken ludieke karakter van de acties. Zo herinner ik me een demonstratie vlak na het bombardement van Hanoi. Bij de happening die als protest werd opgezet, werden de pancartes en al het ander materiaal onmiddellijk door de politie in beslag genomen. Nu stond het nieuws van het bombardement in grote letters op de voorpagina van de Volksgazet afgedrukt. En dus gingen wij allemaal een krant kopen en al krantenlezend – maar dan uitsluitend de laatste pagina – zijn wij de straat opgegaan. Tja, toen wist de politie helemaal niet meer wat aanvangen. Moest ze nu ook onze kranten in beslag nemen? Dat was een groots moment.

Niet lang daarna stapt Koen Calliauw op zijn beurt naar de Jongcommunisten over en vinden we hem terug als animator van de “Duizend Appeltjes”.

Nog een tijdlang hebben we samen een rol gespeeld binnen de Jongcommunisten, maar dan is het tot een breuk gekomen. De aanleiding voor die breuk was De Rode Vaan. Dat zat zo. Een hele tijd hadden de Jongcommunisten in De Rode Vaan een jeugdbladzijde gehad, maar op een gegeven ogenblik werd die ons afgepakt. Wij eisten onze bladzijde terug. Toen Koen hoofdredacteur van De Rode Vaan werd, dachten we dat we die inderdaad zouden terugkrijgen. Maar dat bleek dus helemaal niet zo. Binnen de Jongcommunisten in het Antwerpse heeft dit tot een reeks spanningen en breuken geleid. Uiteindelijk werd een deel van de jeugd uitgesloten, waaronder uw dienaar. Dat is het begin geweest van mijn Kabouterperiode.

Waren de Antwerpse Kabouters van een ander ras dan hun Amsterdamse soortgenoten?

In Antwerpen zijn de Kabouters onder heel specifieke omstandigheden en in een heel eigen vorm ontstaan. Op een gegeven ogenblik kwamen enkele mensen, waaronder Sieg Van der Kruys en ikzelf, tot de vaststelling dat de jongeren in ons bestel maar heel weinig in de pap te brokken hadden. Ze hadden geen stemrecht en konden dus ook niet verkozen worden – toen zaten we nog met een kiesdrempel van 21 jaar. We wilden daar wat aan doen door een jongerenlijst in te dienen, een lijst dus van mensen die eigenlijk niet verkiesbaar waren. De nieuwe beweging kreeg de naam van “Kurieuze-neuze-mostaardpotten”, aangezien het een beweging was van jonge mensen die overal hun neus wilden insteken. 

In dezelfde periode kreeg in Amsterdam de Kabouterbeweging rond Roel Van Duyn een bepaalde impact. Algauw kwam er ook in Antwerpen zoiets tot stand. Die twee, de jongerenlijst en de prille Kabouters, zijn dan een fusie aangegaan, samen met de resten van de Vrije Actiegroep Antwerpen, wat dan uiteindelijk geresulteerd heeft in de Kabouterbeweging in Antwerpen. 

Een verschil met Amsterdam was dat de beweging bij ons meer gepolitiseerd en dus ook meer gestructureerd was. In Nederland, waar de anarchistische invloed veel groter was, lag dat helemaal anders. Toen Roel Van Duyn en enkele anderen op de beruchte bijeenkomst in het Vondelpark met de gedachte uitpakten om de beweging toch iets of wat te structureren, betekende dat meteen ongeveer het einde van de Nederlandse Kabouterbeweging.

Hebben de ludieke acties van de jaren zestig in Antwerpen hun sporen nagelaten in de verhouding tussen de gemeentelijke overheid en de burgers, meer bepaald de jongeren en de kunstenaars?

Ik denk inderdaad dat er in Antwerpen sindsdien een redelijke tolerantie is blijven bestaan. Je kunt bij ons nog steeds heel veel doen op straat, zonder daarbij gehinderd te worden door de bureaucratische mallemolen. Straatzangers, straattoneel en dat soort dingen zijn in ons stadsbeeld een vertrouwd verschijnsel. Tot op zekere hoogte worden ze zelfs gestimuleerd. 

Ook heel wat kunstgalerijtjes spelen in op het circuit van de Antwerpse straatcultuur. De terrascultuur tiert in Antwerpen dan ook welig. Maar natuurlijk is een en ander ook al sterk gecommercialiseerd. Sommige mensen uit de jaren zestig hebben nu hun eigen bruine kroeg of hun praatkroeg en hebben zich zodoende opgewerkt tot kleine middenstanders. En dus zien ze de terrascultuur vooral in functie van hun kassa. Maar dit gezegd zijnde blijft Antwerpen een plezante stad, ondanks de bekende evoluties van de laatste jaren…

Men ging ook op zoek naar een “woordvoerder”. Die vond men aan de tapkast van de Muze: Ferre Grignard. In tegenstelling tot de Nederlanders zong Ferre in het Engels. Enfin, het léék toch op Engels. Bovendien zong hij bijvoorbeeld over racisme in de V.S. (“Ring, ring, I’ve got to sing”), maar niet over wantoestanden bij ons. Daarvoor was eerder iemand als Wannes van de Velde van belang. Toen hij op teksten stootte uit de negentiende eeuw, van de Gentse volkszanger Karel Waeri, gaf hij ze aan Walter De Buck en de folkrevival was vertrokken.


Interview: Jan Mestdagh

Redactie: Ronny De Schepper en Thomas Crombez

Dit interview werd eerder gepubliceerd op de blog van Ronny De Schepper:

ronnydeschepper.com/2011/06/07/ludo-martens-1946-2011

Comments