Home‎ > ‎Interviews‎ > ‎

Koen Calliauw (S. Wouters, 2013)

Datum

01/02/2012

Plaats

Antwerpen

Bio

Koen Calliauw was een spilfiguur in de Belgische Provobeweging. Later werd hij lid van de Belgische Kommunistische Partij, hoofdredacteur van de Rode Vaan, en bezieler van het Daklozen Aktie Komitee (DAK). Tegenwoordig neemt hij ook actief deel aan de Occupy-beweging.

Interview


Ik heb gelezen dat u een theateropleiding heeft genoten, is dat juist?

Ja, een beetje. Ik heb twee jaar op het RITCS
 [Hoger Rijks Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding] gestudeerd. Eerst heb ik middelbaar onderwijs gevolgd aan het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten te Antwerpen, in de Cadixstraat, met onder meer Ferre Grignard en andere bekende kunstenaars. Maar dat was officieel geen academie, het was toegepaste kunst. Publiciteit en zo. In werkelijkheid was het sinds de jaren vijftig wel een soort academie geworden. 

Het was en is een beruchte school in de zin dat wanneer je niet naar het bijzonder onderwijs werd gestuurd, je naar de Cadixstraat ging (lacht). Er zaten veel onaangepaste elementen. Maar die school en de leraars waren pedagogisch twintig jaar voor op hun tijd. Er werd veel creativiteit toegelaten. Een heel open school waar kunstonderwijs gegeven werd, niet alleen publiciteitstekenen, maar ook modeltekenen. De studenten waren wat deviant toen ze twaalf, dertien of veertien jaar waren, en later werd een deel van die mensen zich bewust dat ze van de normen en waarden afweken, en dat ze dat zeker niet moesten verliezen.

Wat is uw familiale achtergrond? Welk beroep oefenden uw ouders uit?

Zij waren progressieve sociaal-democraten. Mijn moeder leeft nog, ze is vijfennegentig jaar. Maar het waren ook gewone mensen, arbeiders. Mijn familie komt uit een vierdewereldsituatie. Een zeer arme familie, op den Dam, in het beruchte Antwerpen-Noord. Historisch gezien woonden daar veel mensen uit de scheepvaart. Mijn vader en mijn grootvader zijn zeeman van de lange omvaart geweest. Mijn vader heeft het dan ver geschopt, want hij is les gaan geven in het beroepsonderwijs, in houtbewerking. Dat was in zo'n familie het summum. Zijn moeder is heel jong gestorven aan tuberculose, toen ze vijfendertig was. Een
 echt proletarisch gezin met zeven kinderen dat werd opgevoed door de oudste dochter, tante Rachel, die eigenlijk haar jeugd heeft opgeofferd aan het gezin. Dat was en dat is deels nog zo bij arme gezinnen.

Later heb ik me wel afgezet tegen die familiecontext. In een familie als de mijne en zo vele andere trachtte men hogerop te komen. Hogerop komen betekende dan een beter inkomen hebben. Dat was heel materialistisch, maar ook heel begrijpelijk. Aan de andere kant waren mijn ouders op een intelligente manier bezig met politiek in de ruimste zin, zoals met de vakbond, de socialistische partij, de socialistische turnkring, de jeugbeweging van de Rode Valk. Mijn broer is iemand die het op die manier geschopt heeft tot secretaris van de socialistische ministerkabinetten, bij Freya Van den Bossche bijvoorbeeld. Streepjespak en dergelijke (lacht). Hij is een totaal ander figuur, maar toch uit dezelfde familie.

De Cadixstraat als keuze om hogerop te geraken lijkt me toch niet zo evident.

Dat was technisch onderwijs. Mijn broer is maatschappelijk assistent geworden. In mijn familie was dat het hoogst haalbare. Over universiteit werd niet gesproken. Ik moest ook in die richting gaan. Het sloot wel aan bij het sociaal engagement dat ze hadden of hebben. Maar er waren andere redenen in het spel waarom ik een andere weg ben ingeslagen. Ten eerste kreeg ik een hekel aan die neiging tot het verwerven van status, ook al was het maar de droom van de lagere middenklasse: een eigen huis. Iedereen in mijn familie heeft een eigen huis gebouwd. Ik snapte dat niet, al niet op mijn twaalf jaar. Je hele leven gaan krom liggen om een aantal stenen op elkaar te zetten. 

Als je twaalf of dertien jaar bent, dan heb je nog geen filosofie gestudeerd maar ik bekeek de wereld wel op een andere wijze. Ten eerste conflictueel. Zoals Anja Hermans, dat een onwaarschijnlijk onhandelbare puber geweest, en ze is dat nog, maar ze is wel geëvolueerd naar een bewuste, deviante, conflictueuze vrouw die heel bewust oppositie voert. Ik had die intuïtieve neiging ook. Bijna werd ik naar het bijzonder onderwijs gestuurd. Alhoewel, dat bestond toen officieel nog niet. Vanaf eind jaren veertig was het in Antwerpen de gewoonte dat ze mongoloïde kinderen en kinderen met leermoeilijkheden in één pot staken. Ze noemden dat de Houten School, en het stond waar nu het kunstencentrum de Singel is. Het waren houten barakken, een erfenis van de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Kinderen die nergens bij pasten werden daar bijeengestoken. Dan ben je natuurlijk verloren. Ik ben daar aan ontsnapt. Ik was toen en ben nog altijd manisch-depressief.

Vandaar misschien het enorme gevoel van vervreemding?

Tegenwoordig wordt er veel meer onderzoek verricht, ook bij criminaliteit, naar neurologie. Enkele jaren geleden werd dat bijna opgevat als sociaal darwinisme, maar depressiviteit is een neurologische stoornis. Toen ik jong was, was dat ook al aan de gang. De ene keer was ik één van de beste leerlingen en het jaar daarop mocht ik blijven zitten. Ups en downs. Niemand had door dat er bij kinderen van die leeftijd ook al depressiviteit kan voorkomen. Ik was neurotisch verklaard door een psycholoog, een woord dat nu niet eens meer gebruikt wordt. Men wist niet wat men daar mee moest aanvangen. 

Ik belandde dan gelukkig in die Cadixstraat, en daar is het ook niet allemaal van een leien dakje gelopen hoor. Dezelfde ups en downs en een toenemend conflictueus gedrag. Goed, ik had geluk dat de meeste leraars konden omgaan met die bende onaangepaste meisjes en jongens. Een tijdje geleden heeft iemand heel die groep van toen bijeengebracht. Dat was wel grappig hoor. Die zijn nu ook bijna allemaal zeventig en praktisch allemaal zijn ze fotograaf geworden of verdergegaan in de toegepaste kunst, dus nooit volslagen aangepast geraakt aan de maatschappij. Dat was ook de bedoeling niet van die school. Dat is mijn redding geweest. Ik wou wel verder studeren en dan heb ik twee jaar RITCS [Hoger Rijks Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding] gedaan. Op mijn zestien jaar was ik emotioneel geïnteresseerd geraakt in wat later de happenings zijn geworden. Federico Fellini was de grote held.

Ik heb uw naam teruggevonden in een catalogus van G58. Heeft u daar werkelijk geëxposeerd?

Ja, daar heb ik aan meegedaan.

Waren dat abstracte schilderijen?

Ja, ik was toen zestien jaar en via die school had ik wel wat contacten met de kunstwereld. Mijn moeder heeft een paar jaar academie gevolgd. Die komt uit een meer burgerlijk milieu. Zij tekent nog altijd perfect , à la Ingres, in grijstinten. Via haar had ik belangstelling gekregen. Zij had drie kinderen, wat ik haar altijd verweten heb. Waarom maak je nu drie kinderen, in plaats van met je kunst verder te gaan. Altijd een probleem van vrouwen. Ik ben extreem feministisch, heel mijn leven hoor, vanaf mijn zestien jaar. Ik ben opgevoed door vrouwen. Kunst via mijn moeder, maar ook via mijn vader die bijvoorbeeld iemand als Renaat Braem, de architect, onder zijn vrienden telde. Mijn moeder is geïnterviewd geweest voor een doctoraatsthesis, ik geloof voor de Universiteit van Antwerpen, over de situatie na de Eerste Wereldoorlog. Over de Vlaamse Beweging, maar wel de Front Partij, dus de democratische, zelfs linkse vleugel van de Vlaamse Beweging. Die linkse Vlaamsgezinde sociaal-democraten maakten toen deel uit wat men in Duitsland de Wanderjugend noemde: kamperen, terug naar de natuur en zo. Een antifascistische, half artistieke, half politieke arbeiderscultuur. 

Ik vermoed dat Ferre Grignard ook in G 58 heeft tentoongesteld?

Dat weet ik niet. Het is mogelijk.

Dus zeker niet samen met u?

Neen. Maar zo ontmoette ik allerlei kunstenaars, zoals Lode Seberechts.

Hij gaf ook les in de Cadixstraat, niet?

Ja, en daar hadden wij allemaal schrik van. Hij was heel streng. Later heb ik hem leren kennen als een hele lieve man (lacht). Ik zag hem dan regelmatig 
in café De boer van Tienen, maar daar was toch een link naar de Academie van Schone Kunsten die altijd sterker is geworden. 

Wat voor werk maakte u dan precies?

Ik weet niet waar het gebleven is. Ik heb maar één werk opgehangen, dat was een monochroom rood zoals Jef Verheyen

Ik ben nog geïnterviewd geweest over het Pannenhuis door de Witte Raaf geloof ik. Het Pannenhuis was op het Conscienceplein en dat was daar al vanaf het eind van de 19de eeuw. Eigenaardig genoeg heeft dat altijd een belangrijke rol gespeeld. Het was altijd een volkscafé. Daar is bijvoorbeeld de Vlaamse Kommunistische partij rond de jaren twintig in Antwerpen ontstaan. De kans is groot dat nog vroeger al Vincent Van Gogh daar is binnengewandeld. Ik heb dat café leren kennen rond mijn vijftiende jaar. Vanaf toen spijbelde ik natuurlijk en begon te drinken. Daar waren voortdurend tentoonstellingen aan de muur, dat was een volkscafé, geen echte galerie, maar een Saint-Germain-des-Prés-sfeer met Paul Joostens, die daar half pornoachtige dingen tentoonstelde. Heel dat café hing vol met werken van hem, en Joostens zat daar dan arm zijn pintje te bedelen bij de kachel. Dat werd helemaal niet erkend, wij vonden dat prachtig natuurlijk, maar Joostens was totaal marginaal. En dat is ook inzake muziek een belangrijk café geweest. Donovan heeft daar gespeeld, en Pink Floyd, en anderen, en dat bestond nog vóór de Muze. Je had daar ook in de buurt de Vécu, eerder een literair café, en daar tussen zaten de meisjes van het Schipperskwartier, met bijvoorbeeld het café Shakespeare, waar veel lesbiennes kwamen, een monument waar ik thuis was natuurlijk.

U hebt zelf ook achter de toog gestaan. Was dat in het café de Paddock?

Ja, onder meer.

Om even terug te keren, ik had een monochroom gemaakt voor G 58, maar dat was niet uit gemakzucht hoor.

Was het de invloed van het Zenboeddhisme?

Neen, daar heb ik altijd een verschrikkelijke hekel aan gehad. Ook aan de bloemenkindertjes en zo, de flower power. Dat werd al snel commercieel. Dan werden gerafelde jeans aan het dubbele van de prijs verkocht, en ontstonden al die boetiekskes.

Onder G 58 heb ik René Guiette leren kennen, die woonde in het huis ontworpen door Le Corbusier. Op mijn vijftien, zestien jaar ben ik gaan dansen, maar dan op elektronische muziek. Dat was dus in het Hessenhuis. Ik heb dat nog mee opgekuist met leerlingen uit de Cadixstraat. Het stond er al tientallen jaren leeg. Onder impuls van Guiette zijn we daar gaan dansen. Er was een danslerares die dat gratis deed. Het begon in de richting te gaan van fysieke aanwezigheid op een podium, of in dit geval, in het Hessenhuis. Het begin van het fysieke theater op straat. Later is er een tentoonstelling geweest in dat Hessenhuis over de sixties waar veel materiaal van mij te zien was, vooral foto’s. 

Na de Cadixstraat, waar ik ook gebuisd werd en waar ik een jaar ben blijven zitten, ging ik naar het RITCS. Het was het eerste jaar dat het RITCS bestond en dat was toen nog met Jo Dua en Tone Brulin. Ik heb Tone nog een paar keer gezien op het Kiel. Hij heeft theater gemaakt over heel de wereld. Toen had het 
RITCS nog een soort atelierstructuur met gemeenschappelijke lessen. Zo kregen wij soms lessen over televisie, radio en theater. Voor film moest je ook exacte wetenschappen doen, belichting en wiskunde en zo, en dat zag ik niet zitten. Jo Dua trok ons onmiddellijk mee naar de KVS om daar Shakespeare aan te vullen als figuranten. Zo word je op die ogenblikkelijk gelanceerd, ik ben dus soldaat geweest voor Shakespeare. Dua heeft wel goede Shakespeare geregisseerd. Van Jo Röpcke leerde ik Fellini kennen en van Fellini was ik weg.

Had u dan op dat moment een conflict met uw ouders?

Mijn ouders hadden een huis gebouwd en ik kon daar niet in leven. Je kan dat overdreven vinden, maar alleen al die mentaliteit van: we willen een huis, ons vader verdient goed want hij geeft les, die verburgerlijking van dat type van arbeidersmiddenklasse. Het is misschien een extreme houding, mijn broer kon dat blijkbaar wel goed aan, en mijn zuster ook. Er waren ook nog andere factoren...

Een relatieprobleem?

Ik zei al op mijn dertiende tegen mijn moeder, ik weet niet of dat dat relevant is voor u, dat ik anders was. In de filosofie komt dat veel voor, al bij de Grieken, Socrates en Diogenes. Ik voelde dat ik anders was en ik zei dat letterlijk. Zelfs in de Cadixstraat beschouwde ik me anders. Ik ben biseksueel en dat houdt veel in. Anja is dat ook en daarom klikt het zo goed tussen ons. Ik heb ook veel lesbische vriendinnen gehad met wie ik relaties had. Dat is een boek apart natuurlijk. Dat waren mijn allerbeste contacten, seksueel maar ook om mee te praten. Mijn beste vriendin was een licentiate kunstwetenschappen die elf jaar geleden aan kanker is gestorven. Daar heb ik dertig jaar een relatie mee gehad terwijl ze andere vriendinnen heeft gehad. Dat is heel raar en anders, terwijl ik daar niets van snapte op mijn dertiende of veertiende, maar dat hoort erbij.

Misschien hadden uw ouders dat wel begrepen?

Neen, dat begrijpen ze nog niet. Om dat te begrijpen moet je eens gedichten lezen van het eiland Lesbos. Dat is onbespreekbaar, ik zeg altijd dat de heteroseksuele wereld iets mis heeft met hun hersenen. Dat is een boutade, waardoor het onbespreekbaar is in de heterowereld.

In die tijd, maar nu wellicht wel.

Neen, nu nog niet. Er zijn wel rechten verworven, maar het wordt nog niet geaccepteerd.

U ontvluchtte dus het ouderlijk huis om meer vrijheid te hebben?

Ik ben gered door mijn lesbische vriendinnen toen ik zeventien jaar was. Er zaten veel intelligente vrouwen tussen hoor. Er was geen informatie en heel die holebi-wereld was letterlijk ondergronds. Was ook strafbaar. Dat onbehagen vind ik vaak terug bij Jean Genet, die heeft dat doorgetrokken tot de
 meest schitterende, geniale extremen. Hij heeft in 1950 een homo-erotische film in de gevangenis opgenomen, onwaarschijnlijk.

Als ik het goed voorheb, is Genet ook opgegroeid in weeshuizen en kwam hij in aanraking met het prostitutiemilieu.

Ja, hij is een instellingskind. De film Querelle gaat over zijn boek, maar vanuit een persoonlijke politieke visie. Politiek is altijd persoonlijk, zegt men, en al het maatschappelijke is persoonlijk. Ik was toen al politiek bewust omdat mijn ouders in die sociaaldemocratie actief waren. Op mijn veertiende ben ik lid geworden van het ABVV. Toen ging ik nog naar de Cadixstraat, maar dat was toen een jongerenbeweging die tijdens de Tweede Wereldoorlog een grote rol heeft gespeeld in het verzet. De Syndicale Jeugd heette dat, de organisatie bestaat niet meer. Het was een periode toen er nog vele jonge arbeiders waren, van veertien jaar en zo, veel meer dan nu. Toen bestond er een jongerencentrale, een echte vakbondscentrale. Ik was daar als leerling bij aangesloten en dan ben ik beginnen publiceren, in onder meer De Werker. Dat was mijn eerste ontdekking, dat ik kon schrijven (lacht). 

Op de Cadixstraat ben ik het dan op mijn zeventiende afgetrapt en dan ben ik een zwervend leven begonnen, een straatleven, ik had geen kot, ook geen inkomen. Het ging nu in de richting van de golden sixties, de Wereldtentoonstelling, het licht ging aan in België, de nieuwe wereld, de maakbare wereld (lacht) en vanaf dan was er hoop. Ik was net zoals Ferre Grignard en Wannes van de Velde een uitgesproken oorlogskind. Wij zijn heel sterk beïnvloed door die oorlog, bombardementen en overvliegende bommenwerpers, die ik als heel klein kind zag, om de steden in Duitsland te gaan bombarderen. Ik heb werkelijk mijn eerste banaan gekregen van een soldaat uit een Canadese tank. Ik was dan drie jaar. Dat was in Schoten. Ik had nog nooit een banaan gezien, heel ontroerend als je daaraan terugdenkt. Ook Ferre, maar vooral Wannes, wij zijn heel sterk beïnvloed door die sfeer vanaf onze geboorte tot ongeveer midden jaren vijftig, wanneer al die verhalen van de concentratiekampen bovenkwamen. We hadden ook les van Jan van Calsteren, die gaf Frans en moraal in de Cadixstraat, en hij had Buchenwald overleefd. Een communist die later lid is geworden van de Kommunistische Partij. Hij legde een revolver op tafel. Net als Leo Apostel, die ik ook goed gekend heb. Tot aan zijn dood nam hij een wapen mee. Hij heeft ook de kampen overleefd. Dat kun je je nu niet meer voorstellen. 

Goed, dus ik zwierf rond in Antwerpen, dat lukte om een zwervend bestaan te leiden en aanvaard te worden in school. Ik was niet de enige, maar Ferre was een hele brave leerling hoor (lacht). Hoe moest ik nu mijn kost verdienen? Ik moest overleven, hè. Slapen deed ik links en rechts, zoals er nu nog velen doen. Kijk maar naar Anja Hermans, die slaapt hier en bij vrienden. Ik werd opgepikt door meisjes, vrouwen van de Shakespeare noemden ze dat, lesbiennes, heel tof hoor. Daar heb ik mijn opvoeding gekregen, zowel feministisch als seksueel (lacht). Dat sloot dan weer helemaal aan bij mijn geaardheid zal ik maar zeggen. Dat waren zowel nachtvlinders als vrouwen met een universitair diploma. Zoals de dochter van Walschap, Carla, lesbisch, die De eskimo en de roos heeft geschreven. In de Shakespeare mochten geen mannen binnen, maar een aantal mochten wel binnen. Zij is van sport, dat wordt niet meer gebruikt, maar dat is bargoens om te zeggen dat zij lesbisch is. Als ik dat voor het eerst hoorde, dacht ik aan voetbal of zo. Als ik ergens niet binnen mocht, dan riepen ze van binnen uit: ‘Laat de Koen maar binnen, hij is van sport.’

Dat was in het café Shakespeare?

Dat heeft vijftig jaar bestaan, op de Oude Korenmarkt, maar er waren er meer in het Schipperskwartier. De Shakespeare was een feministisch monument. Ze noemden dat de ‘Shake’. Niet alleen qua feestvieren was dat een monument. Het was tegelijkertijd een hol van verderf. Ik heb dat leren kennen via een paar meisjes van de Cadixstraat, die het ook niet goed doorhadden, maar die wel wisten wat dat was, en die hadden me meegenomen toen ik zestien jaar was. Net als vele anderen in dat milieu rond de Wolstraat waren wij zwervende elementen. Dan ben ik gaan werken, in het zwart natuurlijk, er was stilaan meer dan werk genoeg, dat was begin jaren zestig. België kende slechts twee 2,5 % werklozen, dus in het zwart achter de toog staan, dan was geen enkel probleem. Ik zag er ook heel erg vrouwelijk uit. De BRT heeft daar in haar archief prachtige beelden van, opgenomen tijdens de happenings.

Ik had een ambigue, dubbele persoonlijkheid. Ik voelde me daar wel happy op dat emotionele, erotische vlak. Ik overleefde door links en rechts te slapen, soms al eens boven het Pannenhuis, of in het café. Later gebeurde dat meer, maar de Muze en zo waren er toen nog niet. Ik heb dan twee jaar les gevolgd in het RITCS, onder Tone Brulin, die een hele grote invloed heeft uitgeoefend. Een belangrijk regisseur in de theaterwereld, maar ook een fantastische man. Die nooit aangepast is geraakt, maar er waren er nog anderen die nooit aangepast zijn geraakt (lacht). Rudi van Vlaenderen en zo. 

Waarom ben ik daar weggegaan? Om de heel simpele reden dat ik niet uit een milieu kwam dat zich voorbereidde op hoger onderwijs. Mijn taalvaardigheid, mijn kennis en mijn achtergrond. Al mijn medeleerlingen, en zeker in het RITCS, waren voor meer dan negentig procent bourgeois kinderen. Onder druk van dat bourgeois wereldje lag mijn job al klaar bij de BRT, want dat waren allemaal politieke benoemingen. Maurice de Wilde, de man die de reeks maakte over collaboratie, vroeg me om bij hem te komen werken omwille van mijn politieke achtergrond. Ik heb dat niet gedaan, maar ben wel journalist geworden bij de Rode Vaan

Maar goed, die sfeer op het RITCS, ik kon daar niet leven. Ik stond ’s nacht achter de toog van striptease- en transseksuelenbars. Heel erg Fellini, iedere nacht, en Jo Röpcke vroeg me: ‘Hoe overleef jij?’ Ik zei: ‘Ik stel voor dat je eens een nacht naar Antwerpen komt.’ Hij heeft dat gedaan (schaterlacht) en hij vond echt Fellini terug in dat wereldje in het Schipperskwartier. Wat nu niet meer bestaat. De Gorterstraat is nu beton, maar toen was dat de ene deviante kroeg naast de andere. De wereld van de travestieten, een prachtwereldje, waar ik natuurlijk ook wel dingen heb meegemaakt die niet zo prachtig waren. En dan die prostituees: ‘Waar ga jij slapen? Kom maar bij mij slapen.’ Dat was ook een vorm van solidariteit en daarom ben ik als ervaringsdeskundige nu nog altijd betrokken bij de wereld van de prostitutie. Nadien ook op politiek niveau en op hulpverleningsniveau.

Zoals in de Zirkstraat met Payoke?

Ja, dat was later, maar daar ben ik ook weggegaan met veel ruzie.

Bent u zelf ooit in de prostitutie terechtgekomen?

Neen, ik ga daar nu niet de details van vertellen, maar ik ben daar wel bijna in geraakt. In de periode van de Wolstraat, met het Pannenhuis, mochten wij in den Engel niet binnen. Wij waren het uitschot. Op een gegeven moment liep ik op blote voeten, het Blote Voeten Plan, zoals het Witte Fietsen Plan. Wij mochten gewoon niet binnen bij die deftige mensen die zich aan het bezuipen waren. Maar het zat er aan te komen. Ik was een leuk jongetje en werd gevraagd om in de Piraat, een beruchte stripteasebar met alles erop en eraan, achter de toog te staan. En voor de toog Nicole van Goethem. Zij heeft dat altijd toegegeven. Haar oneliner was: ‘Ik heb in mijn jonge jaren mannen geanimeerd en nu animeer ik films en win daar een Oscar mee.’ (lacht) Zij was een uitzuipster, een animeermeisje. Dat hing dikwijls in de vitrines: ‘Animeermeisje gevraagd.’ Ik stond achter de toog valse champagne te maken, met negentig procent water en een beetje kleur en dat dronk Nicole of een ander animeermeisje, en de klant kreeg een echte. Het meisje en ik kregen een percent en de baas kreeg het meeste natuurlijk. Zo overleefden wij en eigenlijk verdienden wij goed onze kost. Als je twee nachten werkte, dan moest je een week niet werken (lacht).

Dat was dus alleen entertainment?

De baas was eigenlijk een pooier. Hij had wat meisjes vooraan in vitrines zitten en dan moest ik ’s morgens, na de nachtshift, het geld ophalen. Zodat zij daar niet mee over straat moesten lopen, en om controle te houden. Ik ging het geld ophalen en daar kreeg ik ook een percent op. Ik was dus eigenlijk ook een pooier. Die vrouwen wisten dat en gaven soms wat meer of namen me mee naar hun bed. 

In dat wereldje heb ik van mijn zeventiende tot mijn vierentwintigste rond gehangen. Dan kwamen het begin van de jaren zestig eraan en dan ontstonden cafés zoals de Muze. Dat was een heel klein kot in het begin, nadien altijd maar uitgegroeid en groter geworden. Er is ooit een thesis gemaakt voor UFSIA over de geldstroom binnen die wereld, binnen onze wereld. Het was een gesloten circuit, maar niet helemaal gesloten, want wat er binnen kwam, dat kwam van de bourgeoisie. Wij stonden achter de toog, Ferre trad op, sommigen verkochten een schilderij. Als Fredje al eens iets verkocht, dan was iedereen zat. En als Ferre een optreden had, dan waren wij twee dagen strontzat en nadien hadden we niets meer en dan ging ik werken in de Gorterstraat en dan kon de Ferre weer zat zijn. De klanten die dan eens kwamen kijken naar die rare gasten, gaven wel de input. Heel raar, een vorm van solidariteit. Dan ontstonden al die kroegen, zoals de Mok met Mike Zinzen, daar stond ik ook, en dan versaste ik van het Schipperskwartier naar die kroegen. Wij waren barman en wij konden omgaan met de klanten. Daar werd enorm veel gestolen uit de kassa. Wij overleefden, en de eigenaars van die kroegen waren juist van hetzelfde.

Dus u hebt in de Muze gestaan, de Mok, …

De Paddock ook. En dan ging dat over naar het begin van provo en de happenings.

Ik heb filmmateriaal teruggevonden van de eerste happening, met Yoshio Nakajima, Vercammen en Heyrman, waar u ook bij betrokken was. U zit op de grond en antwoordt op vragen van een journalist. Wat weet u hier nog van?

Dat heb ik zelf nooit gezien. Televisie hadden we natuurlijk niet. De enige televisie die er was stond in het Pannenhuis, maar niemand keek er naar. Op een gegeven moment was er een discussie tussen Fred Bervoets en Panamarenko, die toen al bezig was met happenings en in een kostuum rondliep. Hij stelde heel zijn leven ten dienste van de kunst, maar Fredje ook. En dan heeft Fredje heel kwaad die spelende televisie naar de kop van Panamarenko gegooid. Onze enige bezorgdheid was of die televisie nog werkte. We staken de stekker in en hij marcheerde nog! Dat was dan het grote moment. De discussie ging over kunst. Dat heb je nu niet meer, zo een heftige polemiek over kunst.

Hoe kwam u met de groep van happeners in contact? Via Panamarenko of via Vercammen?

Wout Vercammen werkte als arbeider op een bedrijf, zoals Miel Fingertips. Dat was een laswerkersbedrijf. Mensen zoals ik hadden totaal gebroken met de maatschappij en dan speelde al wel het idee van underground en beatnik, ‘on the road’, dat kenden we wel. Het situationisme heb ik leren kennen via de vriend van Nicole.

Er was ook een congres van het situationisme in Antwerpen.

Dat was wel belangrijk. Het sloot aan op het existentialisme, ik wist daar toen weinig van. Later ben ik dat gaan ontdekken, maar ze hebben wel een fundamentele rol gespeeld in de ontwikkeling van Mei ’68. Maar het situationisme blijft vrij onbekend. Ik was heel links, geschoold in het ABVV. Daar kreeg ik dan les over marxisme, de arbeidersbeweging, op een serieus niveau. Ik had dus wel een zekere scholing hierover, in tegenstelling tot de anderen. 

In de Vécu ontmoette ik Hugo Claus of Hugo Schiltz, die daar ook vaak kwam. Dat was een iets intellectueler milieu. Ik heb daar een tentoonstelling met Nic van Bruggen proberen te organiseren.

Maar dat is reeds een beetje later, als ik het goed voorheb. Om even terug te komen op die eerste happening. U was daar bij, dus u kende toen die happeners en wist dat het ging gebeuren?

Ja, we kenden elkaar al jaren soms. Eigenlijk gegroeid van toen we naar de academie gingen of naar de Cadixstraat, en elkaar als pubers in het Pannenhuis ontmoetten. Of bij een gelegenheid zoals G 58. Ik ging ook wel eens naar die grote zaal op de Meir, het C.A.W. Heel diepgaande gesprekken waren er zelden, dat is heel organisch gegroeid. Wat een rol speelde was de Nieuwe Gazet, in de Korte Nieuwstraat, een onafhankelijke krant, die al meer dan honderd jaar een logekrant was. Een progressieve, links-liberale krant. Terwijl Gazet van Antwerpen een antisemitische krant was voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met als tegenhangers de Nieuwe Gazet en de Volksgazet. Er zijn verschillende mensen uit ons milieu, zoals Nic van Bruggen, bij de Nieuwe Gazet gaan werken. Ook een goede culturele bijlage. Eigenaardig genoeg had Gazet van Antwerpen dat ook. Maar inderdaad, rond 1963-1964 kreeg dat idee van happenings hier zijn voedingsbodem. Nu had dat al langer zijn oorsprong in de theaterwereld, in Tsjecho-Slowakije bijvoorbeeld, of in het theater van de wreedheid van Jerzy Grotowski, en natuurlijk leerden we dat van Tone Brulin. In die periode waren Polen en Tsjecho-Slowakije zeer vooruitstrevend voor kunst en theater.

Invloed van het Living Theatre misschien ook?

(enthousiast) Het Living Theatre! Ik was toen bij het Fakkeltheater terechtgekomen via Rudi van Vlaenderen, die gespecialiseerd was in Bertolt Brecht. Dat werd niet zoveel gespeeld, behalve in de DDR natuurlijk. Het Fakkeltheater was toen nog een echt theater dat Harold Pinter en dergelijke programmeerde. Je had ook nog een paar kleine theaters, de kamertheaters, die absurd theater programmeerden. Daar heb ik in verschillende stukken van Brecht gespeeld, geregisseerd door Rudi van Vlaenderen. Dat zijn zo van die stukken met vijfendertig bijrollen. En gezongen, van die heel moeilijke atonale muziek van Kurt Weil. Moeilijk om te repeteren. 

Daardoor kreeg ik dan toch goede punten aan het RITCS. Toen zat ik dus in de theaterwereld. Twee ontwikkelingen, de politieke en de artistieke, die samenliepen. Zoals je nu Occupy hebt, zo begon provo zich te ontwikkelen, lang voor 1968. In 1964 of zoiets, ik was meteen weg van die filosofie en  tactieken. Eigenlijk waren wij als mensen zo aan het leven. Het leven is een kunstwerk. Een filosofie van een paar duizend jaar oud natuurlijk. En het vrije spreken heeft een grote invloed op mij gehad. Spreken kan dodelijk zijn, nietwaar, in dictatoriale regimes. Maar ook hier lopen we geregeld een boete op van tweehonderd of tweehonderdvijftig euro, gewoon omdat we op straat waren. Ik betaal die niet en heb trouwens al twee processen tegen de stad gewonnen in verband met een samenscholingsverbod op het De Coninckplein in Antwerpen, toen ik druggebruikers aan het aanspreken was. Ik veroorzaakte een samenscholing. Ik heb dat gewonnen, maar je moet het wel doen. Er komt heel wat last bij kijken, en een gratis advocaat vinden die dat wil doen. De agora, de volksraadpleging bij de oude Grieken, dat was vrij spreken. Dus die happeningcultuur met haar bijna geniale provocerende kinderen is dat helemaal. Die Nederlanders verschoten wel toen ze zagen dat wij hier op elkaars gezicht aan het slaan waren. Wij zijn Bourgondiërs, maar dan ook over gans de lijn, het volkse, terwijl de Nederlanders meer puriteins zijn. Wanneer Roel van Duyn naar ons kwam, vond hij ons een bende verpauperde, ongeorganiseerde marginalen. Nadien splitste zich dat op in het eerder politieke, en het artistieke.

Vaak hoor ik dat provo de happenings in Antwerpen kwam verstoren. Nochtans gebeurde dat niet op de eerste happening. Zag u zichzelf als een participant, in de traditie van de happening? Hoe staat u tegenover de kring van ‘zuiver artistieke’ happeners?

Ik heb me altijd sterk verzet tegen elke vorm van recuperatie. De filosofische adem was wel om van de openbare ruimte, de straat, het plein een theater te maken. Dat is ook de kern van het situationisme. Betogingen in Brussel, dat is ook een theater. Ik had dat al begrepen op het RITCS, met Grotowski, waar gevilde dieren op podium werden getoond. Maar dat was bij Shakespeare natuurlijk ook al zo. En Tom Lanoye heeft dat dan nog eens duidelijk gemaakt.

Dat conflict is altijd gebleven. Ik heb dat bijvoorbeeld niet met Fred Bervoets. Onze roots lagen wel in het artistieke, maar dan begon de bezetting van de openbare ruimte door misschien wel twee conflictueuze groepen. Ik was toen niet bij de Kommunistische Jeugd, later wel bij de Kommunistische Partij, maar toen nog niet. Ik vergelijk het met Occupy nu, een manifestatie die niet aangekondigd was, en niet gesteund is door vakbonden. Ons imago en onze blote voeten speelden een grote rol bij deze manifestaties. Als ik er later op terugblikte, dan dacht ik: ‘Eigenlijk heeft dat wel iets te maken met de derde wereld, de blote voetendokters in China.’ Ik kende dat toen niet, heb altijd een grote hekel gehad aan het maoïsme, maar ook ecologisch. We wilden ook fysiek op de straat zijn, zoals Diogenes zich masturbeerde op de agora, het is misschien maar een verhaal. Het choqueren tegen de bourgeoisie, het klootjesvolk, uiteraard ook. Panamarenko zag provo niet zitten.

Panamarenko vermoedt zelfs dat u op blote voeten rondliep om hem te foppen, omdat zijn ouders een schoenwinkel uitbaatten.

(lacht) Men begon stilletjes aan door te krijgen dat Viëtnam belangrijk was en alleen al het rondwandelen op blote voeten was een provocatie tegen de politie. Met een man of twintig of dertig. Dat gebeurt nu nog, en gewelddadiger, met Occupy heb ik het nog meegemaakt. Panamarenko en Heyrman die sluiten aan bij Joseph Beuys, die ik enorm waardeer, samen met nog een paar anderen, maar de overige negentig procent zijn epigonen die een paar steentjes en een stront op elkander zijn gaan leggen.

Maar op zich had u niets tegen Panamarenko?

Neen, helemaal niet. Er was toen al wel een kloof, ook filosofisch zal ik maar zeggen, tussen enerzijds wij, provo, die tegen de consumptiemaatschappij ageerden, en het klootjesvolk dat de consumptiemaatschappij in stand hield. Tegen het kapitalisme, hoewel dat dat woord weinig gebruikt werd bij provo. De straat is onze straat, het plein is ons plein, dat vind je ook terug in communistische liederen van vóór de Tweede Wereldoorlog, bij Brecht ook. Bij Panamarenko, Heyrman en Vercammen was dat een artistieke ontwikkeling, niet alleen op straat trouwens, maar ook in galeries. Iemand anders die een rol heeft gespeeld, is Herman J. Claeys, een linguïst en goede vriend. Ik heb hem leren kennen toen hij nog in de Cadettenschool in Brussel werkte. Toen hij voor het eerst de Mok binnenkwam, wou ik hem buitenzetten, omdat ik dacht dat hij een flik was. Hij heeft altijd heel consequent geleefd. Een echte cynicus, zoals Michel Foucault dat beschrijft, want van de cynici zijn maar heel weinig teksten overgebleven.

Wie hoorde er nog bij die groep Antwerpse provo’s?

Dat was een groep die bepaalde kroegen als huiskamer had, de Shakespeare was daarbij, bepaalde kroegen in het schipperskwartier.

Bepaalde namen?

Dat is dus een ramp. Er zijn er wel hoor, maar dat was een homogene groep van deviant gedrag. Daar had je dus ook prostituees bij, lesbische vrouwen, Nic van Bruggen, die eigenlijk naar onze normen op een burgerlijke manier leefde, dichters... Een verzameling die ook heeft bestaan in Saint-Germain-des-Prés, waar ook een dakloze zwerver aan de tafel kon zitten voor gesprekken. Ook iemand als Michel Oukhow

Rekent u ook Fabien Collin hierbij?

Ja, dat is een naam. Ik geloof dat hij een plaatje heeft nagelaten. Daarom blijft zijn naam ook hangen omdat hij zo een plaatje heeft gemaakt. Een heterogene groep, maar wel homogeen in die zin dat ze allemaal een soort maatschappelijk protest uitdroegen. Dat kon zijn tegen de oorlog in Viëtnam of als dienstweigeraar. Bij Ferre Grignard moest je niet met een marxistisch verhaaltje afkomen. Eigenlijk was hij heel agressief op dat punt.

Kende u de Nederlander Roerek? Hij was ook betrokken bij een happening.

Waar die allemaal terecht zijn gekomen weet ik niet. En dan heb je ook Panamarenko en Heyrman die zichzelf begonnen te verkopen. Panamarenko als multimiljonair, wat in de beginperiode te zot was natuurlijk, hij had geen geld. Die ook mooie pamfletjes maakten. Zo ging hij een vliegtuig oplaten op de Groenplaats. Politie erbij, te gek voor woorden. Eigenlijk waren wij solidair. We zijn daar naar toe gegaan omdat we dat spannend vonden natuurlijk, hij had dat aangekondigd met veel show en verhaaltjes, en is dan opgepakt met zijn vliegtuig. Goed, ik beweer niet dat hij apolitiek is, geen enkele kunst is dat, maar hij heeft dat nooit zo geformuleerd. Fredje Bervoets heeft dat ook nooit zo geformuleerd. Wel heeft hij bijgedragen tot stakingen. Hij heeft ooit iets mooi geformuleerd: ‘Ik ga boogschieten in Burcht met de andere kroegvrienden van daar, gewone mensen van Burcht.’ Zijn ouders zijn van daar afkomstig. Eigenlijk heeft Panamarenko dat ook gedaan door zijn moeder steeds in ere te houden op de Dam. Maar ik weet dat hij van in het begin het kwalijk heeft genomen dat er concurrentie was van een type waarvan hij niets begreep, waarmee hij niets te maken wou hebben. Een paar jaar geleden heb ik in een interview voor de televisie, Histories, verklaard dat ik Panamarenko een vervelende, commerciële bourgeois vind en ik meen dat. En dat zijn kunst een herhaling is van een trucje. Maar dat is een taal die ik altijd gebruik, ook tegen politici zoals Patrick Janssens, waar ik helemaal niet achter sta en waarmee ik ruzie heb gemaakt. Dat is nu wel terug bijgelegd. Panamarenko heeft zich toegelegd op de artistieke happenings en dat is dan een heel waardevolle ontwikkeling geworden, ook binnen de galeries.

Mijn conflict met Panamarenko was allicht ook de klassieke territoriumdrift. Ik was gelanceerd als provo-leider, totaal onzinnig , maar ik kwam het meest in the picture en ten tweede, ik kon het het beste uitleggen. Voor ik het goed besefte was ik een provo-leider en dat werd dan voer voor de media, de boekjes en tv-programma’s. Ik aanvaardde dat omdat ik werkelijk iemand van het zootje was. Hierdoor zijn er veel namen verloren gegaan van mensen die ook hebben meegedaan. Een deel van hen zijn vroeg gestorven door drugs en andere redenen. Anderen zijn misschien gesetteld geraakt.

Hoe groot schat u die groep? 

De groep in het centrum van Antwerpen die werkelijk meededen was niet groter dan dertig mensen. Sympathisanten waren er veel meer natuurlijk, en dat ging over heel Vlaanderen. Ik ben over heel Vlaanderen uitgenodigd geweest. Die groep heeft ook maar twee jaar bestaan. In Nederland was dat beter gestructureerd, men had een tijdschriftje en van die dingen.

U maakte ook een tijdschriftje, Anar, waarin Mortsel als uw adres vermeld staat. Woonde u toen in Mortsel?

In zeker zin wel, mijn moeder woont in Mortsel. Ik ben daar op mijn zeventiende vertrokken.

Bovendien heb ik ook gelezen dat er een tijdschrift onder de naam Arena in omloop was.

Revo in Brussel, Bom in Aalst, maar Arena heb ik nooit gezien. Er ontstonden allerlei dingen. Dat was voor mei ’68, maar dat begon wel in die sfeer te leven. Zoals Ludo Martens, die begon geneeskunde te studeren in Leuven. Hij had nog nooit iets gehoord van Lenin, maar wel van provo. Op een gegeven moment stond hij aan de toog van de Paddock. Ik heb daar heel de avond mee gepraat en nadien heeft hij een wit jeanspakje gekocht en is teruggekeerd naar Leuven, op blote voeten gaan lopen, en heeft hij provo verdedigd in Leuven. Later is hij tot de ontdekking gekomen dat Mao bestond en dat er wel eens arbeiders waren… Ik had hem ook uitgelegd wat mijn motivatie was; ik zag provo vanuit mijn arbeidersmotivatie als een belangrijke jeugdbeweging die niet aanvaard werd in vakbonden. Ik voelde dat ik aanwezig moest zijn bij die mensen, omdat ik die achtergrond had en ten tweede omdat ik er deel van uitmaakte. Ik moest niet in de fabriek gaan werken of tussen de provo’s gaan leven om ze te leren kennen. Humo heeft hierover wel iets gepubliceerd, maar dat was meer anekdotisch. Het was wel een voorloper van heel die sfeer. Het situationisme bestond al, vooral in de kunstwereld, het pacifisme kwam terug op, de tijd van het gebroken geweertje, antioorlog en dienstweigering. Toen kon je daar nog voor in de cel belanden.

Er was geen keuze om voor maatschappelijke dienstverlening te kiezen?

Ik was de tweede erkende dienstweigeraar in België. Toen is mei ’68 gekomen, provo heeft zich opgeheven, dat is een heel ander verhaal.

Ik dacht dat de Antwerpse provo’s zich nooit officieel hadden opgeheven?

Waarschijnlijk niet, wij hoorden ook officieel nergens bij. Nederland was meer gestructureerd. Het gevolg is wel, en ik erger me daar aan, dat telkens één persoon naar boven wordt gehaald. Wij zijn wel militant gaan leven, ik met mijn vriendin. Zo hebben we het Masereelfonds mee opgericht en dat was de eerste maal dat ik zo'n relatie heb gehad. Het klikte zowel intellectueel als seksueel en dat is zeldzaam. 

In de jaren zestig, en in mijn geval later ook, was mijn persoonlijk leven politiek en politiek mijn leven, in heel wisselende omstandigheden. Een verworvenheid uit die periode is ‘free sex’. Vóór de Tweede Wereldoorlog had je Sexpol, de seksuele politiek van Wilhelm Reich, een psychiater, hoewel er ook een hoek af was hoor. Wel een belangrijke politieke seksuele stroming aan de linkerzijde, die door de Nazi’s letterlijk was uitgemoord. Zij stonden voor recht op abortus en seksuele vrijheid, en niet voor het kerngezin. Er bestaat een prachtige tekst van Rosa Luxemburg over vrije seksualiteit. Tijdens de periode onder Lenin heeft dat in Rusland tot 1924 sterk geleefd. Weg met het gezin, dat was een officiële politiek. Onder Stalin is dat teruggedraaid. Vrij begrijpelijk, omdat die boerensamenleving niet in staat was om de klik te maken naar een utopie. De pil kwam als een godsgeschenk. Dat betekende een omwenteling in de vrouwengemeenschap. Het feminisme was allesbehalve puriteins. Heel het lesbisch milieu is totaal niet puriteins. Achteraf is dat wel wat gerecupereerd. De vrouwenemancipatie die voor een deel ook een mannenemancipatie was… Ik heb hier een doctoraatsstudie liggen over genot. Zoals het provo-appeltje, met daaronder ‘gnot’ geschreven, dat ging dan over het recht op genot maar daar zat ook 'god' in. 

We hebben een hele lang weg moeten afleggen van het midden van de jaren vijftig tot het begin van de jaren zestig. Nadien, met de oliecrisis, werd het weer wat kalmer. Dan kwam de punk, en nu Occupy, daar voel ik me ook heel goed bij. De mogelijke kracht van een dergelijke beweging, lijkt me, is dat er terug een concrete vijand in het vizier is gekomen, namelijk de wereld van de haute finance. Voordien, zoals in het geval van de andersglobalisten, was de problematiek nog min of meer ver verwijderd van de leefwereld van de modale westerse burger.

In de jaren zestig was het een luxesituatie. We konden overleven. Het gebeurde op een grappige manier, hoewel ik ook in de kou heb geslapen. Er waren ook minder grappige dingen in dat wereldje (lacht). Maar het was toch wel een hoogconjunctuur. Mensen gaven veel geld uit. Er werd voortdurend een tournée générale gegeven. De mensen konden dat betalen. Er werd me dan ook verweten van de radicale linkerzijde dat dat feestje niet ging blijven duren. We beseften dat niet. Nochtans, toen waren immateriële thema’s ook aan de orde. Filosofische en morele thema’s, zoals seksualiteit. Bij Occupy worden oplossingen gezocht in immateriële thema’s waar de materiële crisis opduikt. Met minder kan men meer. Ook solidair wonen. Nu zijn we bezig om wetten te omzeilen hoe we solidair kunnen wonen, in afwachting dat er misschien wetten en reglementen komen, waaraan ik zal meewerken in het parlement, waardoor het OCMW dat zal kunnen tolereren bijvoorbeeld. Waardoor er niet aan de uitkeringen wordt geknibbeld omdat je een gezin vormt. Ik heb zes kraakpanden gehad en vier grote tentoonstellingen, waar we hebben kunnen regelen met het OCMW dat twintig daklozen gingen samenwonen in een kraakpand. Maar voor hen was het een gezin, je hebt één keuken… Dan zijn we heel kwaad geworden en hebben we herhaaldelijk OCMW-kantoren bezet met het Daklozen Komitee. Ik behoor niet tot het middenveld, zowel op het sociale als op het culturele niveau. Ik heb de pest aan het middenveld, andere discussie, wij hebben nooit één euro subsidie aanvaard! (geërgerd) Ze willen dat opdringen, maar dan ben je verkocht, wij zijn vrij op basis van onze uitkeringen.

Kan u iets meer vertellen over die tentoonstellingen waarover u juist sprak?

Ik heb vijf kunsttentoonstellingen georganiseerd. Toen ik Lilliane ontmoette, zijn wij een beetje gestructureerder beginnen leven met een bed. Wij hebben zo lang op de grond en in de koude geslapen vooraleer we konden aanvaarden dat een bed ook een alternatief is. Ik zie dat ook bij daklozen die soms een appartementje krijgen. Die moeten soms een half jaar begeleid worden om de wc door te trekken of in een bed te slapen. Wij zijn ook vaak naar de psychiatrie gelopen. Eigenlijk heeft die happeningcultuur ook veel te maken met de positieve kant van de psychiatrie. Ik ben later vaak in de psychiatrie terecht gekomen met als etiket bipolair, en wat ik werkelijk ben is een drugsverslaafde en een alcoholist. Daar ben ik vanaf geraakt met heel veel moeite, anders had ik niet meer geleefd. Al de goede kanten van psychiatrie: namelijk jouw zelfbeeld behouden en opkrikken en dat openlijk doen en trots hebben in een leefbaar leven. Als je dat allemaal wegsteekt en verbergt, dan wordt je pas depressief. Homo’s die hun homoseksualiteit verbergen, hebben een vele grotere kans op zelfdoding. Dat geldt ook voor andere mensen die anders zijn, zoals kunstenaars. Kunstenaars die een ivoren toren nodig hebben als veiligheid. 

Ik heb zelf ook wel wat tentoongesteld, vooral art brut. De vijf tentoonstellingen, hele grote, waren Fabrik ’88, Metro ’89, Black Box ’90, Bunker ’91 en Vogel ’92. Bij die eerste drie kwamen toch 35 000 mensen kijken. Die tentoonstellingen, op het einde van de jaren tachtig, begin van de jaren negentig, sloten eigenlijk aan bij de sixties. Vanuit de Academie en andere omgevingen hebben toen een aantal mensen elkaar gevonden. Ik volgde daar toen avondschool grafiek. Dat had ik nodig. Ik heb daar etsen gevolgd bij Ludo. Ik zat toen totaal aan de grond, met psychiaters. Ik heb dat vier of vijf jaar gedaan. Een student van de avondschool mocht ook tijdens de dag komen drukken, en omgekeerd. Het was toen overal in Europa aan de orde om op straat, in de openbare ruimtes of in leegstaande fabrieken te exposeren. Ook in kraakpanden. Er waren belangrijke evenementen in Parijs, Amsterdam en in heel Europa. 

Met vijf mensen, wel vijf gekken, hadden we besloten om zoiets te organiseren. Op de Waalse Kaai stond toen een leegstaande fabriek van peulvruchten uit het begin van de twintigste eeuw. Die werden daar machinaal verpakt. Een enorm grote fabriek, met daaronder gewelfde kelders. Nu staan er op die plek sociale woningen. Dat stond nog vol met machines. Industriële archeologie. Een paar hebben we nog in gang gekregen. We hadden dat gekraakt en we hebben nooit iets aanvaard van de stad. Bob Cools, de burgemeester van Antwerpen, was ook schepen van cultuur. Dat was een ramp die vent. Hij heeft dat eerst proberen te verbieden. Maar de eigenaar van die fabriek vond dat wel een prachtig idee. Ik ben toen zelfs met Bekaert gaan praten, kun je je dat voorstellen, als communist?! Om sponsoring te verkrijgen. En ook met Balliauw, die kraanfirma. We wisten dat de privé-sector ons zou laten doen. Ik heb dingen georganiseerd met grote bedrijven, zoals met Dentergems Wit. Heel die brouwerij heeft ons fantastisch gesteund. ‘Wij zijn zotte ondernemers, jullie zijn zotte kunstenaars.’ Niet allemaal, maar sommige ondernemers moeten wel goed zot zijn om die risico’s te nemen. Niet alleen financieel maar ook met productontwikkeling. Alle media kregen we mee, alle kranten, en het tv-programma Kunstzaken. Stad was tegen, maar we hadden steun van de privé. Honderd kunstenaars wilden meedoen, waarvan sommigen nu bekend zijn en anderen reeds bekend waren, zoals Fredje Bervoets . Het was ook helemaal geïnspireerd op Jan Hoet met zijn Chambres d’Amis. Hij is ook komen kijken. Zijn Chambres d’Amis was tegenover wat wij deden eigenlijk nog klassiek. Mensen kwamen drie maanden wonen in die fabriek. Het eerste wat er werd gemaakt was een toog met heel veel bier en de andere drank die we kregen. Een toog is belangrijk als bron van communicatie. Ik was opnieuw zowat de centrale figuur om problemen op te lossen, want iedereen wou natuurlijk het beste plekje. Dat waren meestal installaties. Zo weinig mogelijk schilderijen. Er was ook een luik theatervoorstellingen via het Masereelfonds, en muziek, onder door de grote jazzmuzikant Steve Lacy. Mike Zinzen had dat mee georganiseerd. Lacy zei: ‘Geef me een goede piano, een hotel en ik doe het!’ Wij dachten dat hij een uurtje zou optreden, maar hij heeft daar heel de nacht gespeeld. Onwaarschijnlijk! Radio 3 heeft dat gelukkig kunnen opnemen toen. Voor twintig Belgische frank hebben enkele honderden mensen een uniek optreden kunnen zien. De piano kwam van een bedrijf dat piano’s verhuurt, in de Hobokenstraat, en die hebben dat gratis geleverd. De toenmalige vriend van Hilde Van Mieghem werkte daar en hij heeft dat geregeld.

De tweede tentoonstelling was in de Antwerpse metrotunnels.

Onder het Astridplein had je toen enkel betonnen metrogangen die leegstonden. Toen kon Bob Cools er niet meer buiten om ook te komen kijken. Ik heb daar een hele grote tentoonstelling van art brut georganiseerd. Vanuit de psychiatrie, vanuit de gevangenissen en ook van prostituées die schilderden. Er was prachtig werk bij. Mensen die normaal niet buiten mochten, kwamen daar schilderen. Muurschilderingen. Ook het Centraal Station kregen we er bij, zonder enig contract. Daar werd de proef met de slinger van Foucault uitgevoerd. De proef die bewijst dat de aarde draait. Daar moet je een kathedraal voor hebben of iets dergelijks. Het bedrijf Balliauw, die ook klimspecialisten hebben, hebben dat geïnstalleerd. Die staalkabel is getrokken door Bekaert, een pianosnaar van honderd meter lang. Peperduur, maar ze hebben het gratis gedaan. Die proef is uitgevoerd onder begeleiding van elektronische muziek, in die zin dat het geluid van die slingerbeweging elektronisch werd versterkt en het Conservatorium daar muziek op gezet had. Nu en dan speelden ze er live muziek bij.

Wat kregen die sponsors in de plaats?

Ik heb daar lang over nagedacht en opeens had ik het gevonden. Wij hadden allemaal kleine plaatjes gemaakt. Bijvoorbeeld Bekaert en andere bedrijven, of de Universiteit Gent, die dat wetenschappelijk had begeleid. Achteraf hebben we al dat materiaal aan de universiteit gegeven. Op een gegeven moment kwam dat in het weerbericht van de BRT en ik had gevraagd aan de regisseur of hij die kleine bordjes even in close-up wou brengen (lacht). Het weerbericht, veel kijkcijfers (lacht). Bekaert heel gelukkig, niet dat het hen zo veel opbracht. Eigenlijk was dat sluikreclame van de BRT.

De locatie voor de derde tentoonstelling, Black Box, is helemaal niet meer af te leiden uit de titel.

Dat was in het Zuiderpershuis. Toen nog een ruïne, nog niet gerestaureerd. Dan is er Bunker gekomen, zeer belangrijk, in het havengebied. Hier in de stad liggen overal bunkers. We hebben die opengebroken. Ik had eerst gevraagd wie er verantwoordelijk was voor die bunkers, maar niemand wist dat. Niet het leger, niet de stad. Een stadsarcheoloog heeft me gezegd: ‘Als niemand het niet weet, breek het open.’ Dan hebben we die leeggepompt met de para’s van Brasschaat.

Die zaten vol water?

Ja, en de brandweer kon dat niet komen doen, want er waren juist veel mensen ziek geworden bij een zware brand. Wij hebben wagens gekregen van die para’s, splinternieuwe die ze uiteraard nooit gebruikten. Wij gingen daar eten in de mess bij die para’s met whisky en zo. ‘Bunkers van de Tweede Wereldoorlog en kunst, knappe vrouwen zeker….’, was hun commentaar. Ze vroegen me ook wat ik in het leger had gedaan. ‘Niets’, antwoordde ik, maar we mochten het gerief meenemen als we het maar proper op ons erewoord terugbrachten. We hadden dan een paar mensen gevonden die dat allemaal konden bedienen en dan hebben we dat leeggepompt. Een andere voorwaarde van de para’s was dat ze gratis mochten komen drinken. Dan hebben we weer zo een toog gebouwd van veertig meter…(lacht) Die para’s die achter de vrouwelijke kunstenaressen zaten, nog altijd die mentaliteit van de sixties. Dat sloot toen ook aan bij het prostitutiemilieu in het schipperskwartier bij de Veemarkt. Daar ligt een bunker onder de grond. Op de route stonden er 
kunstwerken in de vitrines van de vrouwen.

Dat concept heb ik zelf ook gezien, maar dat was wel later.

Ja, tien jaar later is dat herhaald maar onder een andere naam. De vrouwen vonden dat prachtig. De link was er weer tussen kunst en de wereld van de prostitutie. Tenslotte is er nog een tentoonstelling geweest in een kraakpand op de Vogelmarkt.

Dit verklaart meteen de naam Vogel. Was dat in het kader van Vrijstaat?

Dat organiseren was zenuwslopend. Dingen uitvinden die eigenlijk niet kunnen. Zoals elektriciteit zoeken, bondgenoten zoeken, zoals we ook met de kraakpanden hebben gedaan. Die vijf tentoonstellingen zijn in de nevel der tijd een beetje verloren gegaan, maar er zijn belangrijke kunstenaars uit gekomen, ook componisten eigenlijk.

Twintig jaar voordien heeft u ook een tentoonstelling gemaakt met Nic van Bruggen, Matrakkensabbat. Die samenwerking tussen u en iemand die gelinkt is aan de Volksunie heb ik altijd een beetje vreemd gevonden.

Ik heb met Nic van Bruggen geprobeerd om Matrakkensabat te organiseren in de periode toen provo nog actief was, in de Vécu. Nic kan je vergelijken met Tony Rombouts qua persoonlijkheid.

Leeft hij nog?

Neen, hij is al jaren dood. Hij heeft zich letterlijk dood gezopen. Een hersenbloeding door alcohol.

Hij was bij de Volksunie?

Nic was van de linkerzijde van de Volksunie. Hij was ook copywriter en heeft veel publiciteit voor de Volksunie ontworpen. Nic behoorde duidelijk tot de linkerzijde, een vriend van Hugo Schiltz, die ook geen rechtse zak was (lacht). Ook een fijnzinnige dichter. Vanuit zijn Volksunie-engagement, maar eigenlijk eerder vanuit zijn sociaal engagement, dacht hij iets te doen rond de mijnstakingen van Zwartberg. Dat was ook mijn belangstelling. Anderzijds dacht ik ook aan wat er toen in Amsterdam gebeurde, waar toen heel brutaal door politie werd opgetredens tegen provo. Die beelden met de agenten te paard, waar ook gewonden zijn gevallen. Ik was daar ook bij.

U was daar ook aanwezig?

Ik was ook bij één van die acties. Ik ging naar Amsterdam en dan kwamen zij naar Antwerpen. De Vécu was een heel deftige plaats waar vele interessante mensen kwamen, vooral literair dan. Nic stelde voor om enerzijds foto’s te exposeren uit Amsterdam van Ed van der Elsken, een bekend fotograaf, die overal met zijn neus op stond. Ik ben die foto’s bij Ed gaan halen, die woonde in de Jordaan, daar waren toen nog woonproblemen. Nederland heeft dat lang gehad. Nic zou zorgen voor de foto’s van Zwartberg. Die tentoonstelling is nooit opengegaan. Ik was dan speciaal uit Amsterdam gekomen met die foto’s, een beetje clandestien, want wij vreesden terecht dat die zouden geconfisqueerd worden. Ik heb die foto’s wel opgehangen, maar dan is dat allemaal in beslag genomen door de gerechtelijke politie. Een beetje verder is er dan wel een kleine tentoonstelling geweest in een café met enkele foto’s.

Ik dacht dat ik had gelezen dat er wel een openingsavond plaats vond.

We hadden dat georganiseerd, maar het is niet doorgegaan, alles ligt waarschijnlijk nog ergens in de kelder van de gerechtelijke politie (lacht). Wel is daar dat boekje van uitgekomen…

Was er een antimonarchistische link tussen Nic en provo in het algemeen?

Ik ben Belgicistisch, ik verkies dat België binnen de huidige federalistische structuur blijft functioneren liever dan dat er een onafhankelijk Vlaanderen komt. Ik had toen wel enkele antimonarchistische dingen gedaan, waardoor Anar in beslag genomen is. Tegen Boudewijn. Die vrees hadden ze.

Het had niets te maken met het zakje kruiden dat sterk deed denken aan marihuana?

Dat ook, maar men vreesde een samengaan tussen die antimonarchistische Volksunie en provo.

Heeft u ook die happening gezien waarbij de Nederlandse provo Thom Jaspers een tijger in brand stak op de Meir, voor het koninklijk paleis?

Neen, maar wel op de Groenplaats toen Roel van Duyn er bij was. Hij wou meedoen.

Was dat de happening met de vliegtuigjes die hadden moeten opstijgen?

Ik moet zeggen dat ik me niet alles meer in detail herinner. Ik weet de aanleiding niet meer. We werden voortdurend gevolgd door de politie.

Ik heb ooit een provo-luciferdoosje gezien. Heeft u dat gemaakt?

Neen, dat was Sieg van der Cruys. Hij maakt zo van die subtiele dingetjes.

En uitgever van Eindelijk. Dat pamfletje met die Belgische vlag, getiteld wees lief voor de polies, wie heeft dat gemaakt?

Ja, dat was ik. Ik heb ook een pamfletje met een vriend gemaakt, een zeefdruk over de rechten van de homo’s en dat is nog ergens te vinden op internet. Waarschijnlijk één van de allereerste uitingen van de holebi-beweging in Antwerpen.

Was dat onder provo?

Neen, dat was eerder, ik denk in 1962. Toen ik in de Mok werkte heb ik dat met een vriend, een homo, Leo, gezeefdrukt en ik heb het toevallig ergens gevonden.

Ik heb ergens gelezen dat u nooit een strafblad heeft gehad. Dat lijkt me bijna onmogelijk met al deze avonturen.

Dat is niet waar. Ik heb wel nooit een zwaar strafblad gehad. Jaren geleden wou ik gevangenen gaan bezoeken, nog voor Anja hoor, maar als je geen familie bent, dan moet je een blanco strafblad hebben. Na zestien jaar zonder ernstige feiten, heb ik mijn strafblad wit laten maken, dat kostte me 100 Belgische frank of zoiets. Wat stond daar op? Belediging aan de politie, slagen en verwondingen… Ik heb ooit in de Shakespeare iemand met een barkruk op zijn hoofd geslagen en dat bleek een flik te zijn. Ben ook ooit veroordeeld geweest, samen met mijn vriendin, tot het aanzetten van ontucht met minderjarigen. Ik had tijdens of net na die provo-periode een jeugdhuis geopend, de Duizend Appeltjes, dat later heel bekend is geworden. Het eerste jeugdhuis in Vlaanderen, denk ik. Toen was ik juist aangesloten bij de Kommunistische Partij, hier op de kaaien, vlakbij de Vismarkt. Nu is dat een chique buurt, maar toen was dat een grauwe buurt nabij de vismijn. De bende van de Vismarkt was al heel lang berucht en die gingen vechten tegen de bende van de Schoolplak. Die neukten erop los, en abortus bestond in België niet, in Engeland wel. En ik wist samen met mijn vrouw bepaalde mensen al eens de route naar Engeland aan te wijzen. In de Duizend Appeltjes verdeelden wij onder de toog de pil en condooms, in medewerking van een dokter die ze nooit hebben kunnen pakken. Zedenpolitie valt daar binnen en het zit daar vol met minderjarigen. Gevolg: een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ik was daar zo kwaad om, nu hangen in de scholen overal condoomautomaten.

Ik wist niet dat een strafblad na een tijd verloopt.

Ja, nu gaat dat automatisch. Zware vergrijpen, zoals vijf jaar gevangenisstraf als bij Anja, dat gaat er nooit af. Zij zal nooit in een openbare dienst kunnen werken. Maar nu heb ik een blanco strafblad en dat wil ik zo houden.

U wordt nog vaak geassocieerd met de Kommunistische Partij en vooral met het verlaten ervan. Wat was de reden hiervoor?

Ik heb daar een hele rol in gespeeld. Ik ben hoofdredacteur van de Rode Vaan geweest, ben naar veel van die landen geweest, maar ben daar met een zwaar conflict weggegaan. Wat mij te veel werd was toen Wolf Biermann, de zanger, in de DDR zijn nationaliteit ontnomen werd omwille van zijn protestsongs. Dat was de druppel te veel, dan heb ik mijn ontslag genomen. Ik was ook mijn job als journalist kwijt natuurlijk. Dat werd een heel politiek en ideologisch conflict. Historisch gezien heb ik gelijk gekregen. Ook de breuk met Lilliane, die daar is blijven werken, dat was heel pijnlijk hoor. En zo ben ik in de psychiatrie terecht gekomen…



Interview: Stefan Wouters

Transcriptie: Stefan Wouters

Eindredactie: Thomas Crombez

Comments