Home‎ > ‎Interviews‎ > ‎

Julien Weverbergh (V. Dufraing, 2012)

Datum

3/05/2012

Plaats

Antwerpen

Bio

Interview

Waarom was het belangrijk om het literair-polemische tijdschrift Bok volledig zelfstandig te maken en te verdelen?

Om te beginnen omdat er toen maar drie officiële tijdschriften bestonden in Vlaanderen, namelijk het NVT (Nieuw Vlaams Tijdschrift), met socialistische achtergrond, De Gids, liberaal gekleurd, en het katholieke Dietsche Warande en Belfort. Daar was praktisch geen plaats om als buitenstaander iets in te brengen, nauwelijks kritische beschouwingen - en zeker en vast geen polemiek. 

Omstreeks 1961-1962 was ik in correspondentie geraakt met René Gysen en hij schreef mij: “bon, je schrijft mij zo vaak kritisch over boeken, artikels, tijdschriften, kortom, het literaire wereldje met o.m. de vraag e.e.a. in Gard Sivik te plaatsen. Zou het niet beter zijn als je dat zelf publiceerde in een eigen blad?” René was zelf redacteur van het avant-gardistische blad Gard Sivik dat in 1955 was opgericht in Antwerpen, maar in 1957 uitgebreid werd met een Hollandse redactie en van redactieadres verhuisde naar Rotterdam. De omvang van de nummers was klein, de verschijningsdata grillig, maar het richtinggevende blad stond wel open voor polemiek, ook van en voor Vlamingen. 

De medewerking van Vlamingen aan andere Hollandse bladen was toen praktisch onbestaande. Vlaanderen en Nederland waren op literair gebied in die dagen eigenlijk bijna twee gescheiden werelden. Uit die situatie is voor een beginnende schrijver als ik dan het idee gegroeid om een eigen blad te stichten waarin ik kon schrijven wat ik wou zonder naar de omvang te kijken of de mening van andere redactieleden te vragen of af te wachten. Ik schreef trouwens telkens nogal lange stukken en geen enkel tijdschrift kon teksten van ‘mijn’ omvang opnemen. Zeker niet Gard Sivik. Bovendien stond geen enkele blad in het Nederlands taalgebied te wachten op bijdragen van een volstrekt onbekende, zeker met stukken van ongewone polemische strekking. 

Er was dus eigenlijk geen bestaande publicatiemogelijkheid. Het internet bestond nog niet en het ging er ook om dat ik nogal heel snel reageerde op wat er gebeurde. Zoals dat tegenwoordig - bijna vijftig jaar later – gebeurt. Maar begin jaren zestig van vorige eeuw was dat bijna onbestaand. Als je iets geschreven had werd je tekst in lood gezet, driemaal gecorrigeerd en pas dan gedrukt en gebonden, zodat er maanden voorbijgingen voor je tekst verscheen. Er was maar één middel om snel te kunnen communiceren en dat was stencilen. Een stencil is een blad papier bedekt met een waslaagje waarop je typt zonder lint. In die waslaag verschijnen dus de letters, en die kon je dan afdrukken met een speciale machine, een stencilmachine. Die kon je in je woonkamer zetten als je wou. Op een rol van dit van een zwengel voorziene monster werd je stencil gelegd en meteen afgedrukt. Dat maakte dat de productie ogenblikkelijk was. Op den duur - op het einde van Bok bijvoorbeeld - schreven de medewerkers en ikzelf rechtstreeks op stencils. 

Je kon dus iets schrijven en ogenblikkelijk op de stencilmachine zetten en afdrukken op het gewenste aantal exemplaren. Dat zag er allemaal nogal slordig uit – neem maar eens wat oorspronkelijke Bok-nummers ter hand - omdat je moeilijk nog correcties kon uitvoeren. Bovendien moest alles heel goedkoop en snel gebeuren, zodat ik afdrukte op ‘afgeschreven’ papier dat rondslingerde op de school waar ik les gaf, toen het atheneum van Denderleeuw. Ik had wel een omslag laten drukken. Daarop stond alleen het woord ‘Bok’ op, zodat ik telkens de nummers met de hand kon invullen. Er zijn in op een goed jaar - van mei 1963 tot november 1964 - in totaal 10 nummers verschenen met, naar ik schat, in het totaal zo wat duizend bladzijden en ruim een tiental medewerkers. 

Belangrijke vraag, hoe ga je je huisvlijt verspreiden? En het is René Gysen die op het idee is gekomen om het eerste nummer ter kennisname naar tien à vijftien kernadressen in Vlaanderen en Holland te sturen en de reactie af te wachten. Daaruit zou je dan abonnees kunnen recupereren. Zo is dat dan ook gegaan en ik heb naar vijftien à twintig adressen - dat weet ik niet meer precies - van het eerste nummer een exemplaar gestuurd. Daar kwam zoveel reactie op dat ik dadelijk voldoende abonnees had om een volgend nummer te maken. 

Bovendien doken snel een aantal medewerkers op die ook wilden meedoen, plus een heleboel tegenstanders die in hun bladen en kranten van hun oren begonnen te maken en waarop ik kon reageren en ook mijn medewerkers weer op konden reageren. Zo is dat blad vanzelf gegroeid. Bok droeg als ondertitel: "kritisch tijdschrift" en bevatte uitsluitende artikelen over literatuur waarin gesteld werd dat het enige criterium om literatuur te beoordelen “de vent” achter het boek was. Deze subjectieve benadering zorgde voor heel wat commotie in het Vlaamse en na een paar nummers ook in het Hollandse literaire leven. En op een jaar - ik heb het één jaar volgehouden - hadden we dus tien nummers. 

Op den duur was het zo dat ik de stencils die ik bewaard had, opnieuw moest afdraaien. Er zijn nummers die tot bij de duizend exemplaren haalden in drie, vier tot vijf drukken. Vooral vanaf het derde nummer werd het succes erg groot. Dat was een themanummer met de analyse van Omtrent Deedee van Hugo Claus. Claus had daarvan in Vrij Nederland gezegd: “dat is de eerste keer dat ik eens iemand gezien heb die een boek van mij gelezen heeft”. Ogenblikkelijk kwamen er vanuit Holland een heleboel reacties. Of ze zich op dat blad konden abonneren, enz. Vanaf dat nummer is de oplage dus flink beginnen stijgen. Na het themanummer over Eddy du Perron, Bok 7, waren we helemaal gelanceerd. 

Bok kreeg binnen het literaire wereldje zo’n enorm succes, dat ik er eigenlijk heb moeten mee ophouden, omdat het niet meer doenbaar was om die massa te stencilen en vooral te nieten. Op een zeker ogenblik was er in Aalst een groot feest voor Louis Paul Boons vijftigste verjaardag. Ik was daarop uitgenodigd, want ik had ondertussen - o.a. door Bok - Boon leren kennen. En daar heeft Claus mij voorgesteld aan Cuypers, de toenmalige directeur van de uitgeverij Querido. Hij was trouwens de uitgever van Boon. En Claus heeft toen gezegd aan Cuypers: “Bok is heel interessant, je zou dat moeten uitgeven”. Cuypers had daar wel op een of andere manier oren naar, maar ik ben daar toen niet op ingegaan. Cuypers was nadien heel kwaad omdat ik kort daarna contact had met De Bezige Bij en die wilden een boek uitgeven met een keuze uit alle nummers, wat dan het Bokboek geworden is dat in 1965 verscheen. De selectie van de opgenomen stukken heeft de redactie van de Bij voor de helft zelf gemaakt en ik heb er dan ook nog wat bijgedaan. De details weet ik niet meer. 

Ondertussen had ik - ook door Bok - contact met Paul de Wispelaere, die ook zijn eigen mooi gedrukte blad had. Paul was op dat moment het zwarte schaap van heel de Vlaamse letteren omdat hij - zogezegd – plagiaat zou gepleegd hebben. Een belachelijke aantijging. Heel Vlaanderen zat op zijn kop en ik was de enige die hem verdedigde. Iedereen was ongelofelijk verbaasd dat ik dat deed en daaruit is dan weer een enorme discussie ontstaan o.a. met Piet van Aken met wie ik een paar jaar lang een zeer uitgebreide correspondentie heb gevoerd. Maar ik kreeg contact met Paul de Wispelaere, hoewel wij een totaal andere mening hadden over literatuur. Ik vond dat in de literatuur de nadruk op de inhoud en op de stellingname moest liggen, terwijl De Wispelaere vond dat een boek in de eerste plaats goed geschreven moest zijn. 

Dat tijdschrift van Paul heette Diagram en daar ben ik dan aan beginnen meewerken. Het laatste nummer heb ik helemaal alleen gevuld. Ik werkte voor Bok ook samen met een collega van mij, Herman Cluytens. Hij was leraar Frans in Denderleeuw. Wij waren goede vrienden geworden en hij schreef bijzonder goed, maar allemaal heel traag. Daarom heb ik hem op een zeker ogenblik gezegd: “Herman behoort niet meer tot de redactie.” Uit Bok is nadien een ander tijdschrift gegroeid en dat heette Mep. Dat werd door Herwig Leus gedaan, een oud-medewerker van Bok waar ik heel veel plezier aan heb gehad en die bijzonder goed over Boon heeft geschreven. Zijn stukken over Boon zijn nooit gebundeld geweest en dat is heel jammer. Mep heeft onder meer een speciaal nummer helemaal aan Komen en gaan van Maurice Roelants gewijd. Dat was hét boek waar volgens de literatuurspecialisten de moderne Vlaamse letteren mee zouden begonnen zijn in 1927. Wij hebben dat met een hele groep geanalyseerd en vastgesteld dat het een onbestaand boek was en dus moest weggeschreven worden uit de Vlaamse letteren. 

Uit al dat geschrijf en woord en wederwoord is dan uiteindelijk het tijdschrift Komma geboren, uitgegeven door Nijgh en van Ditmar, maar dat is nooit iets geworden. Dat was een heel duur tijdschrift voor de uitgever en de redactie zat heel slecht. In die redactie zat bijvoorbeeld Willy Roggeman, en Willy Roggeman en ik dat boterde niet. En als er geen eenheid is in zo’n redactie, mag je het vergeten. We hebben het maar vier jaar volgehouden. Maar ondertussen waren meerdere gestencilde tijdschriften gesticht en in talrijke via rondvliegende een- of meerbladige stencils was een ware debatcultuur geboren. Paul van Aken heeft daar later de term "de gestencilde revolutie" voor bedacht.

Denkt u dat vernieuwing enkel mogelijk is op volledig onafhankelijke basis?

Ja, en dat is nu nog zo. Op elk gebied is vernieuwing enkel mogelijk op onafhankelijke basis. Of het nu om schilders gaat, mensen die met muziek bezig zijn of theatermakers. Je moet altijd iemand hebben die een doordrijver is en dat botst vrijwel steeds. Alle avant-garde is altijd - daarom heet het avant-garde, zelfs nog vandaag, daar ben ik absoluut van overtuigd - afkomstig uit de bol van enkelingen, dus onafhankelijke individuen.

Dus het gesubsidieerde circuit …?

Nee. Neem Bok bijvoorbeeld, wij hebben nooit een cent subsidies gehad. Hoewel Bok al na een paar maanden het meest besproken blad van Vlaanderen was. Subsidie ging in de eerste plaats naar “officiële” schrijvers en de drie reeds vernoemde tijdschriften, die door de politieke partijen geaccepteerd en gepatroneerd werden. Schrijvers vingen enige subsidie via de aankoop door het Ministerie van Cultuur van hun pas verschenen boeken, wat ik nog altijd geen slechte methode vind. Het ministerie kocht van een auteur tien, twintig, vijftig tot maximum driehonderd exemplaren. Uitzonderlijk liep dat wel eens op tot duizend, zoals het Verzameld Werk van Stijn Streuvels. Naast het volledig honorarium ging ook de winkelkorting van 40 procent naar de auteur, dus van een boek van honderd frank - marktwaarde - kreeg de uitgever veertig frank, zoals hij dat zou krijgen van de boekhandel en die overige zestig frankjes gingen naar de schrijver. Die gekochte boeken werden dan verspreid over ambassades over de hele wereld. Daarnaast was er ook wat men toen noemde een reisbeurs van maximaal honderdduizend frank. 

Maar wij hebben dus voor Bok nooit één cent gezien. Daar heb ik ook niet van wakker gelegen. Ik geloof dat we op het einde meer dan zevenhonderd abonnees hadden en nog wat losse verkoop, dus dat waren toch oplages van zo’n duizend exemplaren, maar omdat het blad gestencild was, koste ons dat niet zo veel. We betaalden ook geen honoraria. Nu krijgen auteurs die meewerken aan tijdschriften een bijkomend honorarium. Dat bestond vroeger ook al min of meer, maar wie meewerkte aan Bok deed dat zonder. Rijk zijn we er dus niet van geworden.

Beschouwt u Bok zelf als een avant-gardetijdschrift?

Ja, het was een avant-gardetijdschrift. Daar ben ik zeker van. Want wat houdt dat woord avant-garde in? Het is een beweging van jonge kunstenaars die niet alleen met nieuwe vormen maar ook met nieuwe concepten en ideeën experimenteert. Omdat de avant-garde per se ingaat tegen de mainstream, wekt het felle reacties op van de gevestigde waarden en het gevestigde gezag. Gezag met hoofdletter. Maar er vormt zich snel een kleine kern fanatieke aanhangers van dit nieuwe denken of doen, gelovigen zou ik durven zeggen, die het nieuwe hardnekkig verdedigen en verder uitdragen tot de nieuwe stroming in het algemeen cultuurleven ingebed raakt. Het aantal nalopers wordt soms redelijk snel talrijk zodat later vaak een zorgvuldige studie nodig is om de oorspronkelijke aanzet te vinden. 

Dit alles vind je in het fenomeen Bok terug. Ikzelf en de schare medewerkers zoals Hedwig Speliers, Jan Emiel Daele, Herman J. Claeys, Freddy de Vree, Paul de Wispelaere en anderen waren jong en meestal onbekend. Bok is verschenen in 1963 en het was alleen al een avant-gardetijdschrift in de Vlaamse literatuur door zijn spottende, ironische en vooral niets ontziende kritiek op het werk van de gevestigde literaire waarden, en een blad dat zich bovendien uitsluitend op kritiek en polemiek concentreerde, met veel aandacht voor de opkomende hype van close-reading

Er was nog nooit een blad geweest dat zich uitsluitend op literaire kritiek toelegde. Maar de tijd was er wel rijp voor. Een paar maanden voor Bok verscheen was er in Nederland het blad Merlyn verschenen, dat ook ontstaan was uit ontevredenheid over het peil en de gerichtheid van de literatuurbeschouwing, maar het was geredigeerd door een gezaghebbende en zeer bekende criticus en enkele professoren. Een chique blad overigens, fraai uitgegeven door de beginnende uitgever Johan Polak. Bok had daartegen de allures van een piratenblad, dat sprak de jeugd aan, en zoals uit mijn correspondentie met René Gysen blijkt was het concept voor Bok al lang gegroeid voor Merlyn ons verraste. 

Bok had in feite ook een avant-gardistisch allure door zijn niet nieuwe, maar dan toch ongewone vormgeving voor serieuze literatuur. Namelijk het medium stencil, met zijn toch wel een beetje gecultiveerde slordigheid, waarmee bewezen werd dat je voor de publicatie van diepgravende essays met grote impact geen sinds eeuwen ingeburgerde industriële drukkunst nodig had. Ook de snelheid, de lik-op-stukcultuur waarmee Bok op het literaire gebeuren reageerde was nieuw. Het fanatisme van het blok rond Bok was kenmerkend voor avant-garde, zoals de vele gestencilde bladen en blaadjes die weldra uit de stencilmachines overal in Vlaanderen geramd werden dat ook waren. 

Tot slot was Bok geen modeverschijnsel of een eendagsvlieg: de literaire benadering in Vlaanderen nam vanaf toen een andere wending. Bok was in feite ook avant-gardistisch omdat het meebouwde aan de tijdgeest die er een was van steeds meer groeiende kritiek op het Gezag in al zijn vormen en voorkomen. De term inspraak woekerde voor het eerst in de meest uiteenlopende gezagsstructuren, van de Kerk over de scholen en universiteiten, tot de werkvloeren. Er was een tijdsgeest aan het groeien die uiteindelijk zou uitbarsten in Mei '68, maar die geest van ’68, die zat al sinds 1963 in Bok. Dat was die tijdsgeest van “wat de gesettelde mensen als mening hebben, daar moeten wij het niet mee eens zijn”. Je vond vanaf het begin in Bok - en dat was het belangrijkste denk ik voor Bok – de initiatie van onderzoek naar de machtsstructuren. Uiteraard gezien het programma van het blad, machtsstructuren op het literaire veld. In Bok werden in wezen geen personen aangevallen, maar ideeën en opvattingen waar die personen voor stonden. 

Ik was me overigens zeer bewust dat het literaire veld slechts exemplarisch was voor de gehele toenmalige maatschappij. Ik heb dat in Bok zelf een paar keer verduidelijkt. Sinds het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig was de opkomende geest over heel Europa één van kritiek door de jeugd op het gevestigde gezag en vooral op zijn morele waarden. Het groepje dat rond Bok hing waren mensen die eigenlijk die tijdsgeest mee initieerden. Een geest die zich steeds meer en meer uitgebreid heeft tot Mei ’68, wat voor ons - ik zeg voor ons, mijn vrienden en de mensen die met mij samenwerkten - niet nieuw was. Mei 68 was voor ons het einde van een periode en geen begin. Wij hadden ook helemaal andere opvattingen over politiek, over liefde en dood, over relaties, enz. als de goegemeente. En wij leefden naar onze opvatting.

In Weverbergh ’30-’70 geeft u aan dat René Gysen een belangrijke grondlegger was van het tijdschrift Bok en noemt u hem ook avant-gardistisch. Kunt u beide punten nader verklaren?

Hij was redacteur van een Hollands-Vlaams tijdschrift en ik had hem geschreven over de Franse erotische poëzie. Toen moest je in de bibliotheek nog een toestemming hebben van je professor om een boek te mogen ontlenen dat geklasseerd stond als “pornografie”, zoals de erotische sonnetten van Ronsard, of prachtige gedichten van onder meer François de Malherbe, Mathurin Régnier, Maynard, Théophile de Viau en vele anderen. Het feit alleen al dat er door enkele personen een verbod was opgelegd om bepaalde boeken te raadplegen was een aanfluiting van alle individuele rechten. Ik had uiteraard geen professor, dus geen toelating, en dat was de uitdaging. 

In de Albertina-bibliotheek kreeg ik dan toch na veel moeite en luidruchtig protest een en ander te lezen, en ik had een uitgebreide studie over Franse erotische poëzie geschreven en naar René Gysen gestuurd voor publicatie in Gard Sivik. René stuurde het essay terug omdat het te uitgebreid was. Daar is later trouwens mijn boek Jij goudgepunte lans uit gegroeid, uitgegeven bij De Bezige Bij, met vertalingen door Ernst van Altena. Zo is er dus met René een correspondentie ontstaan. 

Ik werkte toen ook mee aan een blad dat uitgegeven werd door een beginnende vereniging voor seksuele hervorming. Metterdaad heette dat, en de promotor van heel die beweging voor seksuele hervorming was een goede vriend van mij, Pierre van Rompaey, die later voor kinderen heeft geschreven. Hij heeft uitstekend jeugdkindertoneel geschreven en een paar jeugdboeken die toen ontzettend veel gelezen werden, boeken die vanuit een vrijer seksueel concept waren geschreven, wat toen absoluut nieuw was. De macht van de pastoors en heel de katholieke intelligentsia daaromheen in dit land was ontzettend. In Metterdaad had ik een artikel geschreven over Menuet van Boon. Hij heeft mij toen terug geschreven en hij zei “gij zijt den eersten die gezien heeft wat de symboliek betekent in mijn werk”. En daaruit was vanzelf contact ontstaan met Louis Paul Boon. Dat was toen al de grote meneer, dus dat was voor mij heel wat. Ik zat daar maar in een gat in de omgeving van Aalst - Teralfene heette dat dorpje waar ik woonde - op een uurtje lopen van Boon die in Erembodegem woonde. 

Zo ben ik ook beginnen schrijven in Vooruit waar Boon de toenmalig invloedrijke culturele pagina Het Geestesleven redigeerde. Boon zelf die volgde natuurlijk alles wat er gebeurde rond Bok. René Gysen schreef ook in Vooruit en was ook bevriend met Boon. Boon vond René Gysen overigens dé schrijver bij uitstek. Wij waren alle drie geestesgenoten die elkaar gevonden hadden. Die boeken van René Gysen zijn nooit echt van de grond geraakt, terwijl dat in die tijd toch de avant-garde was in de Vlaamse literatuur, nog voor Daniël Robberechts opkwam en nog voor Willy Roggeman opkwam. Dat zijn allemaal namen die nu zo stilletjes aan terug naar boven komen. Maar René Gysen, vroeg of laat moet die terug ontdekt worden. De onvermoeibare en niet te overschatten Paul Claes zal daar wel eens vroeg of laat mee tevoorschijn komen, als hij het al niet gedaan heeft.

Wat maakt de boeken van René Gysen dan precies zo avant-gardistisch?

Om te beginnen het schrijven zelf, de gedachtenassociaties in plaats van de verhaallijn, dat was bij ons nieuw. Ook het taalgebruik, weg van het conventionele. Dat conventioneel schrijven waar toen de Vlaamse letteren echt mee gekenmerkt waren, dat had René Geysen absoluut niet en dat was dus in onze letteren avant-gardistisch. En ten tweede, zijn interesse voor wat er in de wereld gebeurde op literair gebied, buiten het algemene voorgesneden brood, buiten het enge Nederlandstalige taalgebied. Daar schreef hij uitstekende stukken over.

Ik heb een aantal fragmenten geselecteerd uit Labris en uit Bok. Het eerste fragment komt uit Labris van april ‘64 en er staat: “ik weet het niet van vandaag (maar) weverbergh is tégen de avant-garde : "daarom eis ik in een boek een zo eenvoudig mogelijke van alle specialistenjargon uitgebeende taal"(…) weverbergh gaat een speciaal boknummer wijden aan de vlaamse avant-garde! dat zal wat worden : hij die door de bron (rimbaud) niet werd geboeid . Alle wegen (ook die van de avant-garde) lopen naar boon. VOORUIT !” Ondertekend door Lucienne Stassaert.

Labris experimenteerde met woorden, zinnen en letters. Daar was dus kop noch staart aan te krijgen wat de inhoud betreft. Wanneer bijvoorbeeld - en dat was al in de Eerste Wereldoorlog gebeurd - ik zeg nu zo maar iets, het woordje ‘schaar’ werd geschreven, hadden ze het over een schaar in de vorm van een schaar. Die letters liepen dan zo. Ik was niet voor dat soort avant-garde. Dat soort avant-garde ging terug naar het lettrisme, het Italiaanse lettrisme - iets dat dus eigenlijk al een halve eeuw oud was buiten Vlaanderen - en daarom noemde ik de vormspeeltjes in Labris geen avant-garde, dat was mijn mening. Maar ik kwam verder met die mensen goed overeen hoor.

In Bok een maand later verscheen dan vermoedelijk uw antwoord daarop. Er staat: “Ik hoop (nu) aan de échte, de ware avant-garde kritiek te mogen meebouwen in LABRIS; ik hoop de échte. Vlaamse avant-garde de Weg naar het Ware, het Goede en het Schone Vlaamse kritische avant-garde getoond te hebben.” Gevolgd door korte nonsensicale tekst.

Dat was natuurlijk allemaal heel ironisch bedoeld. In iedere aflevering was er altijd een afdeling - dat waren de kleine lettertjes achterin - en dat heette Parapluke Parasolleke. Dat waren kleine spottende stukjes, nooit helemaal serieus, maar soms wel dodelijk. Er was een figuur die altijd erg hard aangepakt werd en dat was Hubert Lampo, die feitelijk niet ernstig werd genomen. Herman Teirlinck was dat wel. Hij is een zeer belangrijke figuur geweest voor heel de Vlaamse literatuur en zeker voor het toneel. Ik heb ooit een lezing van Herman Teirlinck meegemaakt in Brussel, een bomvolle zaal die zat te wachten op de Meester. Toen hij binnenkwam stond iedereen recht. Dat zou je nu niet meer meemaken. Hij was een totaal onaantastbare figuur waarvan je je niet kon inbeelden dat daar iemand iets negatiefs over zou zeggen, maar dat gebeurde dan toch in Bok. En niet alleen nu en dan oppervlakkig met wat grapjes, maar vooral met een diepgaande analyse van zijn belangrijkste roman Het Galgemaal. Dat is wel een plezierig avontuur geweest.

Een jaar later verscheen er weer een gelijkaardige opmerking, opnieuw in Labris: “weverbergh verwacht van een kunstwerk een eenvoudige persoonlijke afbeelding (portrettering) van een vooraf gegeven realiteit, dergelijke werken kan ie dan ook goed lezen, begrijpen en beoordelen of veroordelen, daarom gaat de avant-garde bij hem er niet in.

Omdat zij dus voor een andere avant-garde stonden dan ikzelf. We hadden het daar in het begin al over: avant-garde ligt voor mij in de geestesgesteldheid. Dat was voor mij avant-garde en uit die andere geestesgesteldheid groeien wel vanzelf andere vormen, maar dat was bij Labris niet zo. Het was een spel met vormen en woorden. Dat is geen avant-garde. Labris , hoe sympathiek ook, heeft ook geen school gemaakt.

In het gestencilde tijdschrift Daele van 15 januari ’67 verscheen het volgende citaat: “De kunstenaar moet een heilige Ziener, een GOD worden, De echte avant-gardist zal een wrede vernieler zijn.” Wat diende er in de jaren zestig te worden vernield?

Dat is eigenlijk wat we daarnet ook al gezegd hebben. Het gaat om de sterke persoonlijkheden. In wezen zou je ook Jan Emiel Daele, stichter en uitgever van Daele, zelf bij de avant-garde kunnen rekenen. Maar de echte “officiële” en blijvende avant-gardeschrijvers van toen, dat waren Willy Roggeman en Daniël Robberechts. Robberechts is een grote vernieuwer geworden toen hij afstand nam van de zuiver psychologische roman. Een boek was “schoon” omdat er zo’n goede psychologische figuren in voorkwamen, omdat die zo mooi neergezet waren en hun zielroersels zo treffend ontleed waren, omdat de hoofdpersonages zo positief denken of twijfelen, omdat de verteldraad zich logisch ontwikkelt, enz. Maar een roman mag geen psychologische analyse zijn. Een literaire tekst moest iets zijn waaruit een kritische geest sprak - in mijn ogen toch - die tegen de algemene geest van onze tijd inging. Daarom waren de boeken van Boon avant-garde. Al wat Labris deed, dat was geen avant-garde. Dat was onbelangrijke spielerei.

Daarbij aansluitend: moet een avant-gardist per definitie tegen de schenen schoppen?

Nee, het is omdat hij avant-gardist is dat hij vanzelf tegen schenen stampt. Een ware avant-gardist zoekt het schandaal niet. Hij zegt iets waarvan hij hardnekkig overtuigd is, maar dat ingaat tegen de algemene opvattingen op cultureel gebied. Vanaf het ogenblik dat je iemand hebt die niet doet wat een ander doet, schopt hij automatisch tegen de schenen van een ander, en dan wordt er gezegd: hij schopt opzettelijk tegen de schenen om aandacht te krijgen. Maar dat is niet waar. Ik heb dat meegemaakt met Bok. Er zijn er een paar die toen erg aangepakt geweest zijn zoals Hubert Lampo, de autoriteit van toen, en dat kwam gewoon omdat hij misprijzend reageerde op Bok. Had hij in zijn krant De Volksgazet niet gereageerd, met onder meer te stellen dat Bok een opgewonden gestencild prulblaadje was, dan had niemand in Bok hem aangepakt. Maar er werd niet opzettelijk tegen zijn schenen gestampt. Er was van tegen de schenen stampen om opzettelijk boze reacties uit te ontlokken helemaal geen sprake, en alle avant-gardisten die ik gekend heb en ken, zullen hetzelfde zeggen. Die zijn meestal geobsedeerd door de dingen die ze graag doen, zonder zich iets aan te trekken van wat een ander doet of denkt. En dan schoppen ze zogezegd opzettelijk tegen de schenen van anderen.

Hoe past de geschiedenis van Bok in het verhaal van de Provo-beweging?

Bok is verschenen twee jaar voor de Provo-beweging ontstond. De bedenker van de Provo-beweging is nog bij mij thuis geweest en er heeft geloof ik zelfs nog in Provo gestaan dat Bok een voorbeeld was en dat Provo dus eigenlijk begonnen was in Vlaanderen. Het staat mogelijk in een van de eerste nummers van Provo. Of zeker in de Vlaamse pendant, uitgegeven door Herman J. Claeys.

De eerste Belgische Happening die vond plaats 9 juli 1965 in Antwerpen. De deelnemers waren Hugo Heyrman, Panamarenko, Yoshio Nakajima en Wout Vercammen. Wat herinnert u zich nog van deze gebeurtenis?

Ja, op de Groenplaats. En ik herinner mij dat nog erg goed. Ik heb daar toen uitvoerig over geschreven in De Groene Amsterdammer, een Hollands weekblad. Dat was met de schilder Hugo Heyrman, met Panamarenko en met een Japanner die hier rondliep, die is daarna wel verdwenen. Paul de Wispelaere was de Vlaamse redacteur van dat Amsterdamse weekblad en zo is dat stuk van mij daar beland. De inhoud ervan ken ik niet meer. Ik heb toen Heyrman en Panamarenko leren kennen en ik heb daarna nog iets langer contact onderhouden met Heyrman. Ondertussen zijn die allemaal hun eigen weg gegaan en die Japanner is terug naar Japan vertrokken.

Hoe zou u een Meppening definiëren of omschrijven?

Dat woord, een woordspeling op happening, kwam natuurlijk van het tijdschrift Mep. Dat was de gestencilde opvolger van Bok. Toen ik ophield met Bok richtte Herwig Leus, die de trouwste medewerker aan Bok was geweest, zijn eigen blad Mep op dat de geest van Bok wou voortzetten. Maar ikzelf ben daar nooit echt met hart en ziel bij betrokken geweest. Ik was toen al veel te veel zelf door het hele officiële circuit opgevist en had contact met veel schrijvers en uitgevers. Voor mijn teksten of boeken kon ik een uitgever kiezen naar eigen keuze en ik kon meewerken aan de bladen die ik verkoos. Zo heb ik toen zelfs in Humo geschreven. Ik was dus zelf al een figuur geworden in dat officiële circuit en begon me te gedragen als één van de mensen waar ik vier jaar eerder tegen had gedonderd. Herwig Leus stelde een keertje de vraag: wat gaan we doen om de goegemeente tegen de schenen te schoppen? Dat was dus wel een bewust opzet. 

Achter de meppening zaten eigenlijk de vroegere medewerkers van Bok. Een meppening was een bedacht protest dat zich op straat moest manifesteren. Aan de grootste meppening die we ooit bedacht hebben is met veel plezier gewerkt. De meppening was in wezen gericht tegen de programma’s van de BRT, de Belgische Radio en Televisie zoals dat toen nog heette. De BRT, dat was toen nog zo’n strenge god. Je kan je nu niet meer voorstellen wat voor een vervelende, katholiek gekleurde zender dat toen was. Hoewel streng geleid was daar een jonge medewerker aanbeland - waarvan ik de naam vergeten ben - die programma’s maakte voor de jeugd en die naar de andere en meer open ideeën aan het groeien was. Hij begon dingen te brengen die nieuw waren voor de BRT en die niet meer allemaal naar wierrook roken. Hij schoof stiekem ideeën in zijn reportages waar de jeugd echt mee bezig was en waar heel die broeiende geest van mei ’68 inzat. Hij heeft dat ook niet lang volgehouden, want ze hebben hem op het Flageyplein snel buiten getrapt. 

Voor zijn uitzending hadden wij een meppening bedacht. Het uitgangspunt was dat de mensen te weinig boeken lazen die niet aanbevolen, laat staan aangeboden waren door het establishment. Hoe we dat gingen doen - we zouden bijvoorbeeld boeken uitdelen die door de kerk zo niet verboden, dan toch ten strengste afgeraden werden- is volledig uitgeschreven in een meppeningdossier. Daarin kan je lezen hoe zo’n meppening zou verlopen. Wij zouden ons met een groepje opstellen aan een kerk na de zondagmis. Iemand zou “aangebrande” boeken aanprijzen en een ander zou gaan babbelen met de mensen over die boeken die we uitdeelden. Ik had naar alle uitgeverijen geschreven - Hollandse uitgevers vooral - en die hadden ons een stapel boeken gegeven die we konden uitdelen. Dat zou dan gefilmd worden en er zou gesproken worden over de aanvaarde literaire situatie van toen. 

Dat is uiteindelijk niet doorgegaan omdat de BRT een paar uur voor de opnames alles heeft afgeblazen. Alles lag al vast, het was een programma dat door de regie tot in het detail was uitgewerkt, inclusief de technische ploegen. Er was wel heel wat ruimte voorzien voor improvisatie. De BRT wou dat uiteindelijk niet omdat het te provocerend was. Het is jammer dat het programma nooit gemaakt is, want dat zou heel plezierige televisie geweest zijn en een uitstekend tijdsdocument. Ik meen me te herinneren dat Herman J. Claeys, verkleed als pastoor, zou preken tussen de mensen in een redelijk groot Vlaams dorp bij uitgang van de kerk, na de zondagmis. Ik denk dat het Wetteren was dat we uitgekozen hadden. En Herman Claeys zou de boeken van en een hele reeks katholieke schrijvers, waaronder die van Hubert Van Herreweghen, nota bene productieleider dramatische en letterkundige programma’s bij de BRT, door het slijk halen – letterlijk dan. Hij zou boeken die op de index stonden aanbevelen. Enfin, het staat allemaal beschreven in een gestencilde brochure die wij toen gepubliceerd hebben. Dat was een heel programma. Voilà, dat was een meppening, de enige die we gedaan hebben of beter, die wij gepland hebben.

Ik had nog een vermelding gevonden in Mep nummer 15 over een meppening die zou plaatsvinden in de Pilipili te Brussel.

De Pilipili in Brussel was een café in een doodlopend of heel smal straatje dat nu niet meer bestaat. Dat was een echt kunstenaarscafé waar een fortuin aan schilderijen gehangen moet hebben, want alle schilders uit het Brusselse van vijftig jaar voordien al, die geen pint konden betalen, gaven een schilderij, dus dat café hing vol. Eén keer per week vergaderden wij daar: redactievergadering zogezegd. Maar of we daar iets speciaals gedaan hebben … Er is daar wel ooit door de BRT gefilmd meen ik me te herinneren. Dat document zit misschien in de VRT-archieven. Ik herinner me nog dat Marcel van Maele, die werkelijk en authentiek helemaal tot de avant-gardebeweging heeft behoord, de opnamen onderbroken heeft door ineens met een lege ton binnen te komen stuiven. Dat soort kinderachtigheden allemaal, maar daar werd altijd veel gelachen natuurlijk.

In Daele van augustus ’66 wordt een individuele zesdaagse happening van Marcel van Maele aangekondigd, een anti-provomars.

Ik weet niet meer of hij dat nog gedaan heeft. Terwijl die beweging volop aan het groeien was, ben ik het land uitgegaan en als reporter naar Roemenië getrokken. Ik ben daar haast een volledig jaar geweest en nadien ging ik om de drie weken heen en weer. Ik was ondertussen helemaal opgenomen in - laten we het noemen - het officiële circuit van uitgeverijen enzovoort. Bij Manteau mocht ik een compleet eigen uitgavenserie maken - “De vijfde meridiaan” heette die - en dat slorpte al mijn tijd op. Die contestatiebeweging is met een kleine kern begonnen begin jaren zestig, en blijven groeien, tot het een massabeweging werd in Mei ’68.Tegen 1972-’73 was het al uitgegroeid tot een verwaterde supermassabeweging. Wie die afgang heel goed beschreven heeft, is Walter van den Broeck, in zijn boek Lang weekend. Walter heeft dat ook allemaal meegemaakt en hij zag hoe die opstandige geest groeide en geaccepteerd werd en snel misbruikt werd en slap en smakeloos werd.

Hebt u verder nog andere happenings uitgevoerd door Panamarenko en consorten gezien?

Neen, de enige die ik meegemaakt heb was die eerste op de Groenplaats waarover ik een verslag heb geschreven. Nadien ben ik dat ook niet blijven volgen, zeker Panamarenko niet.

Herinnert u zich Happening News?

Ja, Happening News wel, ik heb dat nog gehad. Ze hadden daar een mooi boek van gemaakt, maar dat heb ik niet meer. Dat is jammer, want het was wel mooi. Dat is één van de dingen waarvan ik het jammer vind dat ik het weggedaan heb. Dat was een behoorlijk dik boek dat vooral gemaakt was door Panamerenko en Heyrman. Het bestond uit knipsels uit kranten die ze afdrukten met een zuur, waardoor elke afdruk zijn eigen karakter kreeg. Hier en daar werd er nog iets aan toegevoegd, bijvoorbeeld een kleine collage. Happening News was niet echt een tijdschrift, dat was iets eenmalig op twintig of dertig exemplaren. Ivo Michiels heeft mijn exemplaar gekregen en ik heb dat toen heel waarschijnlijk gekregen van Heyrman. Ik geloof dat ze het twee of drie keer hebben gedaan. Dat nummer was dan misschien een verzameling van de twee of drie nummers die ze gemaakt hadden, maar die oplage was erg klein. Die krantenartikels waren bijvoorbeeld ook overdrukt met verschillende soorten letters - lettrisme - maar dan mooi gedaan met kleuren en zo. Daar was Labris niks tegen natuurlijk. Zij deden zoiets als bij Labris, maar dan op een meer kunstzinnige manier. De nummers werden links en rechts meegegeven, je kon je daar niet op abonneren. Ik heb het zelf maar voor de eerste keer in mijn handen gehad toen ze de nummers die verschenen waren gebundeld hadden. (Na een telefoongesprek met René Franken) Er zijn in totaal zes nummers verschenen van Happening News en het was voornamelijk Heyrman die eraan werkte. De maximale oplage bedroeg zo’n tien exemplaren per nummer.

Wat herinnert u zich nog van de Kunstkamer die in 1963 in Antwerpen werd opgericht?

Dat zegt mij niks. Noch voor noch na 1966. Ik was in 1966 al vertrokken naar het buitenland. Mijn periode heeft zich beperkt tot het einde van Bok en dan ben ik in het officiële circuit beland. Ik had ook zoveel te doen, ik schreef in duizend en één bladen, ik heb aan radio en televisie meegewerkt, heel veel in Nederland ook. En nadien zat ik in Roemenië.


Interview: Veronique Dufraing

Transcriptie: Veronique Dufraing

Eindredactie: Thomas Crombez

Comments