Home‎ > ‎Interviews‎ > ‎

Jaak Van de Velde (Toneelstof 60)

Datum

Plaats

Bio

Interview

We zijn aangehouden!

U bent in de jaren zestig actief geweest in Theater Arena. Kan u mij kort de context schetsen, waarin Arena is ontstaan?

Theater Arena is ontstaan uit het Conservatorium van Gent. Frans Roggen wilde naar het einde van zijn carrière graag een gezelschap stichten en dat is dus Theater Arena geworden. Hij heeft toen met Arena een aantal producties gemaakt, waaronder De Nonnen van Manet, maar eigenlijk kwam dat theater niet goed van de grond. De Meiden van Genet heeft daar ook gespeeld met Anton Cogen en Jacques Veys. Die laatste was eigenlijk in werkelijkheid de motor van Arena.

Was Arena onder Frans Roggen dan opgehouden met theater maken?

Het kwam gewoon niet van de grond. Jacques Veys is dan voorzitter geworden en hij wilde professioneel theater maken. Ik heb daar in mijn jeugd een stuk van Megan Terry gespeeld Keep tightly closed in a cool dry place. Dat stuk was een avant-garde stuk uit Amerika en ik speelde dat met Bob De Moor en Luc De Smet. Jacques Veys heeft ons daarbij geregisseerd. Maar wij waren toen nog geen ‘professionals’. Ik studeerde toen nog aan het Rits. Daaruit is dan Arena ontstaan, met Frans Roggen, Diane de Ghouy, Jo Gevers en Jacques Veys. Helaas brak het niet echt door.

En hoe kwam dat?

Ik denk om allerlei redenen. Arena werkte alleen maar met free-lance acteurs in los verband. Toen het theaterdecreet er kwam in 1964 hebben ze een subsidie-aanvraag gedaan, maar die werd niet toegekend. Na Frans Roggen heeft de broer van Jan Decleir, Dirk Decleir, geprobeerd om een alternatief gezelschap op te richten met onder meer Bob De Moor.

Ja want in de periode 1965-1970 bestond Theater Arena toch nog onder diezelfde naam? Wat was toen de invalshoek, van waaruit Arena werkte?

Goh, zij wilden politiek theater brengen. Er was niet echt sprake van een invalshoek. Onder Dirk Decleir heeft Arena Animal Farm van Orwell gebracht. Die productie is fantastisch onthaald. Toen Dirk daarna is verongelukt, is het gezelschap een stille dood gestorven.

De spraakmakende productie van Arrabal, En ook de bloemen werden geboeid, valt die niet ook in de periode van Dirk Decleir?

Nee, die voorstelling is van latere datum. Na de dood van Dirk heeft Jo Gevers, die een Arrabal-fan was, een nieuwe aanzet gegeven. Jo Gevers wilde En ook de bloemen werden geboeid regisseren en is op zoek gegaan naar de geschikte mensen. Herman Gillis en Guy Sonnen waren toen laatstejaarsstudenten aan de Studio Herman Teirlinck. Ook Luk Debruyker is toen geëngageerd hoewel hij geen professionele studies als acteur had gedaan. Verder waren er Anita Bandini, Hadewich van der Straeten en Bob De Moor. Ik was net afgestudeerd en op zoek naar werk. Toen ik aan Jacques Veys vroeg of hij niets voor mij had, stelde hij mij voor om als assistent samen te werken met Jo Gevers aan En ook de bloemen werden geboeid. Ik ben toen aan die voorstelling begonnen als regie-assistent. Het was een heel boeiend proces. Je mag niet vergeten dat in de jaren zeventig in Gent een homogeen CVP-bestuur aan de macht was, dat de vijs stevig aandraaide. Walter De Buck zijn tentoonstelling met naakten is toen bijvoorbeeld verboden geweest. Enfin, na vier of vijf weken geeft Bob De Moor zijn rol op. Hij hield het voor bekeken waarop Jo Gevers zei: “Jij bent de assistent, we kunnen ons geen nieuwe mensen permitteren. Jij neemt die rol over.” Het rare van de zaak was dat de theaterdirectie na dit voorval toch enige nattigheid begon te voelen. Daarom beslisten ze om toch eens te onderhoren of ze met En ook de bloemen werden geboeid niet op zere tenen zouden trappen. Toen wij vroegen of ze problemen verwachtten, zeiden ze van niet. Maar achteraf is het anders gebleken.

Tijdens de première was er geen enkel probleem. Integendeel zelfs. Het was een laaiend succes en alle voorstellingen waren volledig uitverkocht. Maar toen, tijdens de tweede opvoering, gingen er ineens allerlei flitstoestellen af in de zaal. Dan moet je weten dat foto’s maken tijdens de voorstelling ook toen al verboden was, dat stond zelfs in het programmaboekje. Wat bleek? De fotografen waren een 8 à 10-tal BOB’ers van de gerechtelijke politie. Wij dachten eerst dat hun bezoek een controle op drugs was. In die jaren rookten wij allemaal af en toe een jointje. Als de bliksem gingen wij onze weed dus doorspoelen in de kleedkamers. Maar nee, er was een klacht ingediend tegen onze voorstelling voor openbare zedenschennis. We moesten mee naar het politiebureau.

Wie had er dan klacht ingediend?

Ze zeiden dat een privé-persoon klacht had ingediend tegen de scènes over de seksuele dromen, die de krijgsgevangenen hadden in de krijgsgevangenkampen van Franco. In die scènes was expliciet naakt te zien en werden er copulaties gesimuleerd op scène. We gebruikten ook vrij agressieve en expliciete taal… Daarom werden we dus opgepakt. Er stonden acht overvalwagens voor Arena, in de Ooievaarstraat aan de Brugse Poort. Maar om daar te geraken, moesten we eerst door de foyer, die vrij groot was en op dat moment boordevol mensen was. De rechercheur wilde het arrest ongemerkt laten verlopen, maar van zodra de acteurs de foyer binnen liepen, begonnen ze te roepen: “We zijn aangehouden!” Het is daar een ganse hetze geworden. Daarna werden we opgesloten in de kazerne in de Ridderstraat, waar we allemaal verhoord zijn. Omdat ze niet genoeg cellen hadden om ons vast te houden, hebben ze ons in de vroege uurtjes naar huis laten gaan. Maar alle verdere voorstellingen werden verboden.

Ondertussen liep dezelfde voorstelling in Théâtre du Parc te Brussel, in het Frans en met dezelfde choquerende scènes. Maar daar gebeurde helemaal niets dat leek op censuur. Zo bleek eens te meer hoe schrijnend groot het verschil tussen de gerechtelijk arrondissementen toen was. Gent was een conservatieve CVP-burcht. Brussel was vrijzinnig. In Brussel heeft hetzelfde stuk zonder probleem alle voorstellingen kunnen spelen.

In Gent is er een zeer spraakmakend proces gekomen. Onze advocaten, de verdedigers, waren toen Willy De Clerck, John Bultinck, Piet Van Eeckhout en Eric Stassyns, die nu magistraat is bij de Hoge Raad van Justitie. De rechter die het proces leidde, de heer Tytgat, was in onze ogen een oer-conservatieveling. Die begon onmiddellijk met het proces achter gesloten deuren te voeren, omdat het volgens hem een zedenzaak was. We dachten dat we bij voorbaad verloren hadden. Bovendien kregen we daar goed onder ons voeten. We mochten niet leunen, we moesten goed rechtop zitten, anders was het ‘smaad aan het Hof’. Er werd gedreigd dat we in de cel zouden belanden, enz. Wij waren allemaal twintigers en geïntimideerd natuurlijk. Maar tot onze verbijstering hebben onze advocaten daar schitterende pleidooien gevoerd en heeft die rechter ons vrijgesproken. Dat was een bom in Gent: opzienbarend!

Hoe werd daar in de pers over geschreven?

Dat was toen echt fenomenaal. Een proces achter gesloten deuren, met acteurs en zedenfeiten. Het parket is onmiddellijk in beroep gegaan en in beroep zijn we allemaal veroordeeld. Dat gebeurde opnieuw achter gesloten deuren: allemaal veroordeeld!

We zijn daarna nog in Cassatie gegaan, maar het heeft niet geholpen. Ik heb 3 maanden gekregen: openbare zedenschennis. Maar als je het afschrift van je vonnis krijgt, staat daar nergens dat het over theater gaat. Je bent gewoon gebombardeerd tot het grootste crapuul dat er is. Ik heb al die jaren geen les kunnen geven ondanks mijn verscheidene pogingen om die veroordeling van mijn strafblad te krijgen. Onder Boudewijn werd er per jaar wel aan veertig à zestig mensen amnestie verleend, maar dus niet voor openbare zedenschennis.

En bent u allemaal voor hetzelfde veroordeeld?

Neen, ik had nog een lichte straf. Er zijn andere acteurs, die zwaarder gestraft zijn. Iedereen is veroordeeld! De directie, de regisseur, de dramaturg, allemaal!

En schreef de pers daar geen moord en brand over?

Er zijn in die tijd enorm veel artikelen over geschreven. Rik Lancrock heeft daar in ‘Theater Vandaag’ enorm veel artikels over geschreven. Maar uiteindelijk kwamen er dan nieuwe verkiezingen en het kaarsje doofde uit. Drie jaar later heb ik ’T is a Pity She’s a Whore van John Ford geregisseerd in Arena. Dat stuk gaat over de incestueuze verhoudingen tussen een broer en een zus. Chris Thys en Hans Royaards, de twee acteurs, zijn toen ook naakt op scène verschenen. Ik riskeerde mijn vel.

Recidivisme!

Recidivisme!? Niets aan de hand! Er was een ander bestuur aan de macht en de zeden waren ineens helemaal veranderd. Wellicht is er na het Arena-schandaal ook gesproken over het verschil in justitie tussen Brussel en Gent. Rechtvaardig kon je dat niet noemen.

Bent u als regisseur nooit in de verleiding gekomen om En ook de bloemen werden geboeid opnieuw te ensceneren? Als revanche?

Ik denk het niet. De censuur was toen een raar fenomeen. Maar we gingen de Provo-tijd in, het politiek theater kwam op met Brecht. In die periode is plots heel veel bespreekbaar geworden hoewel de internationale studentenrevolutie en het politiek theater hier bij ons snel is uitgedoofd. De Nieuwe Scène is één van de laatsten geweest, die de vinger aan de pols is blijven houden.

Bij mijn weten is En ook de bloemen werden geboeid nooit meer opgevoerd. De eigenlijke impact van zo’n controversieel stuk is achteraf beschouwd dus niet bijzonder groot geweest.

Heeft het Arena-schandaal dan niets veranderd?

Het heeft in die zin iets veranderd dat naakt op het toneel, zoals het ook bij ClausMasscheroen aangeklaagd geweest is, evolueerde van een marginaal fenomeen naar een normaal gegeven, een theatrale mogelijkheid.

Het valt me op dat de mensen, die we interviewen, de revolutionaire impact van het theater uit de jaren zestig heel sterk relativeren. Vernieuwers als Artaud, Grotowski, Brecht, Arrabal worden in de geschiedenisboeken veel lof toegewuifd, maar mensen die bij de periode betrokken waren, relativeren vaak hun invloed of het belang van hun stukken.

Je moet natuurlijk niet vergeten dat wij werden gestuurd door de mensen van wie we op het Rits les kregen. Mensen als Tone Brulin legden ons de geschriften van Arrabal en Artaud voor als zijnde belangrijke lectuur. Herwig Hensen gaf dramaturgie en was volledig op de hoogte van de Duitse dramaturgie, Brecht dus. Hensen was ook veruit de enige die boeken had geschreven over dramaturgie, om maar te zeggen, wij kenden ook niets anders. Wij werden, zoals in elke opleiding, heel erg in een bepaalde richting gestuurd. Wij wilden allemaal een keer Arrabal ensceneren…

Zo werd in de opleiding eveneens nadruk gelegd op de lichamelijkheid van theater. Kijk naar Marijnens Salomé, puur lichamelijk theater. Dat was toen een tendens. Mijn allereerste regie in Arca ging over een jeugdbende. Die regie deed ik in periode dat Clockwork Orange van Stanly Kubrick uitkwam. Dirk Buyse en Bob De Moor gingen elke morgen in een badjas sporten en oefenden zich in gevechtstechnieken om dan tot een voorstelling over een jeugdbende te komen.

In vergelijking met onze buurlanden, zou u het theater in Vlaanderen uit de jaren zestig dan typeren als vooruitstrevend? Of hinkten wij achterop?

Ik denk dat wij achter bleven. Bij mijn generatie hoorde natuurlijk wel Marijnen die Gered van Bond ensceneerde en zo, maar als je kijkt naar de vroegere kamertheaters waren die toch eerder braaf. Vanaf Franz Marijnen, Jo Decaluwe, Jean-Pierre De Decker en anderen veranderde dat wel.

Maar de voorbeelden kwamen uit het buitenland?

De voorbeelden kwamen uit het buitenland. Wat Dré Poppe deed met zijn Studio ’50 was eigenlijk burgerlijk theater.

Toneelstudio ’50 noemt u burgerlijk?

Ja. Pas nadat Dré Poppe is weggegaan en er andere directeurs in Arca kwamen, hebben ze daar voor een experimentele en vernieuwende invalshoek hebben gekozen: Arrabal, Handke, Kreutz,…

Volgt u theater vandaag?

Absoluut! Ik ben er nog altijd werkzaam.

En herkent u vandaag in hedendaagse gezelschappen nog sporen van de jaren zestig?

Neen, ik denk het niet. Hedendaagse gezelschappen maken hun eigen keuzes, bepalen hun eigen dramaturgie en werken vanuit een eigen visie. Ik denk niet dat ze naar vroeger refereren.

Dus op lange termijn hebben Artaud, Grotowski, Arrabal niet echt een spoor nagelaten?

Neen, tenzij bij Abattoir Fermé misschien. Zij hebben de geschriften van Artaud nog wel doorgenomen. Maar in publicaties wordt er nog maar weinig verwezen naar dergelijke dingen. Ik heb die geschriften hier staan omdat het in mijn studententijd verplichte lectuur was.

 

Interviewer: Evelyne Coussens

Transcriptie: Diane Bal

Eindredactie: Ellen De Bin



Comments